Verordening (EG) nr. 1808/2001

U kunt hier inloggen of registreren als ringenbesteller



Publicatieblad Nr. L 250 van 19/09/2001 blz. 0001 - 0043

Verordening (EG) Nr. 1808/2001 van de Commissie

van 30 augustus 2001

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1579/2001 van de Commissie(2), inzonderheid op artikel 19, punten 1, 2 en 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Er moeten bepalingen worden vastgesteld om Verordening (EG) nr. 338/97 ten uitvoer te leggen en te waarborgen dat de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), hierna "overeenkomst" genoemd, volledig wordt nageleefd.

(2) Om de eenvormige tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 338/97 te garanderen, is het noodzakelijk gedetailleerde voorwaarden en criteria vast te stellen voor het in aanmerking nemen van aanvragen voor vergunningen en certificaten en voor de afgifte, de geldigheid en het gebruik van deze documenten. Bijgevolg is het wenselijk, modellen vast te stellen waaraan de bedoelde formulieren dienen te voldoen.

(3) Voorts is het noodzakelijk, gedetailleerde bepalingen vast te stellen betreffende de voorwaarden en criteria met betrekking tot de behandeling van in gevangenschap geboren en gefokte dierlijke specimens en kunstmatig gekweekte plantaardige specimens, teneinde een eenvormige toepassing van de voor dergelijke specimens geldende afwijkingen te garanderen.

(4) De afwijkingen voor als persoonlijke bezittingen en huisraad aangemerkte specimens waarin artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 voorziet, vereisen dat bepalingen worden uitgewerkt die waarborgen dat artikel VII, lid 3, van de overeenkomst wordt nageleefd.

(5) Om te garanderen dat algemene afwijkingen van de verbodsbepalingen inzake interne handelsactiviteiten van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 eenvormig worden toegepast, moeten voorwaarden en criteria worden vastgesteld ten aanzien van de omschrijving daarvan.

(6) Er moeten procedures worden vastgesteld voor het merken van bepaalde specimens van dier- of plantensoorten teneinde de identificatie daarvan te vergemakkelijken en de handhaving van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 te garanderen.

(7) Er moeten bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud, de vorm en de indiening van de periodieke rapporten waarin Verordening (EG) nr. 338/97 voorziet.

(8) Opdat toekomstige wijzigingen van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 338/97 in overweging kunnen worden genomen, dient alle relevante informatie, inzonderheid inzake de biologische situatie van de betrokken soorten en de situatie van de handel daarin, het gebruik van die soorten en de methoden om op die handel toe te zien, beschikbaar te zijn.

(9) Verordening (EG) nr. 939/97 van de Commissie van 26 mei 1997 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1006/98(4), is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd. Daar nog verdere wijzigingen moeten worden aangebracht, dient deze verordening ter wille van de duidelijkheid te worden ingetrokken en door een nieuwe verordening te worden vervangen.

(10) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de handel in wilde dier- en plantensoorten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DEFINITIES EN FORMULIEREN

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening gelden, naast de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 338/97, de volgende definities:

a) "datum van verwerving": de datum waarop een specimen aan de natuur werd onttrokken, in gevangenschap werd geboren of kunstmatig werd gekweekt;

b) "nakomelingen van de eerste generatie (F1)": specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders waarvan ten minste één in de vrije natuur werd verwekt of aan de vrije natuur werd onttrokken;

c) "nakomelingen van de tweede generatie (F2)" en "nakomelingen van latere generaties (F3, F4, enz.)": specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders die zelf in een gecontroleerd milieu zijn geteeld;

d) "fokdierenbestand": alle dieren die in het kader van een fokprogramma voor de reproductie worden gebruikt;

e) "gecontroleerd milieu": een door menselijke ingrepen bepaald milieu dat is geschapen om dieren van een bepaalde soort te telen, dat op een zodanige wijze is afgesloten dat dieren, eieren of gameten van de betrokken soort het gecontroleerde milieu niet kunnen binnenkomen of verlaten, en dat in het algemeen met name, maar niet uitsluitend, wordt gekenmerkt door kunstmatige behuizing, verwijdering van uitwerpselen, gezondheidszorg, bescherming tegen predatoren en kunstmatige voedselvoorziening;

f) "een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon": een persoon die gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar in de Gemeenschap verblijft wegens beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen die persoon en de plaats waar hij verblijft.

Artikel 2

1. De formulieren voor de invoervergunningen, uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten en de aanvragen van deze documenten moeten, afgezien van de voor nationale doeleinden bestemde ruimten, overeenkomen met het in bijlage I opgenomen model.

2. De formulieren voor de kennisgevingen van invoer moeten, afgezien van de voor nationale doeleinden bestemde ruimten, overeenkomen met het in bijlage II opgenomen model.

3. De formulieren voor de in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde certificaten en de aanvragen van deze certificaten moeten, afgezien van de voor nationale doeleinden bestemde ruimten, overeenkomen met het in bijlage III opgenomen model. De lidstaten mogen evenwel bepalen dat in de vakken 18 en 19 in plaats van de voorgedrukte tekst alleen de desbetreffende certificatie en/of vergunning wordt aangebracht.

4. De vorm van de in artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde etiketten moet overeenkomen met het in bijlage IV omschreven model.

Artikel 3

1. Het voor de in artikel 2 bedoelde formulieren te gebruiken papier is houtvrij en zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, en weegt ten minste 55 g/m2.

2. De afmetingen van de in artikel 2, leden 1, 2 en 3, bedoelde formulieren bedragen 210 bij 297 mm (A4-formaat) met, wat de lengte betreft, een maximale tolerantie van -18 mm en +8 mm.

3. Het papier van de in artikel 2, lid 1, bedoelde formulieren is:

a) wit voor formulier nr. 1, het "origineel", met op de voorzijde een geguillocheerde grijze onderdruk die elke met behulp van chemische of mechanische middelen aangebrachte vervalsing zichtbaar maakt;

b) geel voor formulier nr. 2, de "kopie voor de aanvrager";

c) lichtgroen voor formulier nr. 3, de "kopie voor het land van uitvoer of wederuitvoer" in het geval van een invoervergunning, of voor de "kopie voor terugzending door de douane aan de instantie van afgifte" in het geval van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat;

d) roze voor formulier nr. 4, de "kopie voor de instantie van afgifte";

e) wit voor formulier nr. 5, de "aanvraag".

4. Het papier van de in artikel 2, lid 2, bedoelde formulieren is:

a) wit voor formulier nr. 1, het "origineel";

b) geel voor formulier nr. 2, de "kopie voor de invoerder".

5. Het papier van de in artikel 2, lid 3, bedoelde formulieren is:

a) geel voor formulier nr. 1, het "origineel", met op de voorzijde een geguillocheerde grijze onderdruk die elke met behulp van chemische of mechanische middelen aangebrachte vervalsing zichtbaar maakt;

b) roze voor formulier nr. 2, de "kopie voor de instantie van afgifte";

c) wit voor formulier nr. 3, de "aanvraag".

6. Het papier van de in artikel 2, lid 4, bedoelde etiketten is wit.

7. De in artikel 2 bedoelde formulieren worden gedrukt en ingevuld in één van de officiële talen van de Gemeenschap, zoals aangegeven door de administratieve instantie van iedere lidstaat. Zij omvatten zo nodig een vertaling in één van de officiële werktalen van de overeenkomst.

8. De lidstaten dragen zorg voor het drukken van de in artikel 2 bedoelde formulieren; het drukken mag - in het geval van de in artikel 2, leden 1, 2 en 3, bedoelde formulieren - deel uitmaken van een gecomputeriseerde afgifteprocedure voor vergunningen of certificaten.

HOOFDSTUK II

AFGIFTE, GELDIGHEIDSDUUR EN GEBRUIK VAN DE DOCUMENTEN

DEEL 1

Algemene bepalingen

Artikel 4

1. De formulieren worden in machineschrift ingevuld. De aanvragen voor de in artikel 2, leden 1 en 3, bedoelde vergunningen en certificaten, de in artikel 2, lid 2, bedoelde kennisgevingen van invoer en de in artikel 2, lid 4, bedoelde etiketten mogen evenwel met de hand worden ingevuld indien dit op leesbare wijze, in inkt en in blokletters geschiedt.

2. Met uitzondering van de aanvraagformulieren en de in artikel 2, lid 4, bedoelde etiketten mogen de formulieren geen schrappingen of overschrijvingen bevatten, tenzij deze met het stempel en de handtekening van de administratieve instantie van afgifte of - in het geval van de in artikel 2, lid 2, bedoelde kennisgevingen van invoer - met het stempel en de handtekening van het douanekantoor van invoer zijn gewaarmerkt.

3. In de vergunningen en certificaten alsmede in de aanvragen met het oog op de afgifte van deze documenten,

a) omvat de omschrijving van de specimens, voorzover daarin is voorzien, één van de in bijlage V vermelde codes;

b) worden voor het aangeven van de hoeveelheid en de nettomassa de in bijlage V vermelde eenheden gebruikt;

c) wordt voor het aangeven van de wetenschappelijke naam van de betrokken soorten gebruikgemaakt van de in bijlage VI vermelde standaardnomenclatuurwerken;

d) wordt waar nodig het doel van de transactie aangegeven door middel van één van de in punt 1 van bijlage VII vermelde codes;

e) wordt de oorsprong van de specimens aangegeven door middel van één van de in punt 2 van bijlage VII vermelde codes, en zulks - indien ten aanzien van het gebruik van die codes aan bepaalde in Verordening (EG) nr. 338/97 of in deze verordening vermelde criteria moet worden voldaan - uitsluitend overeenkomstig de bedoelde criteria.

4. Indien aan één van de in artikel 2 bedoelde formulieren een bijlage is gehecht die daarvan een integrerend deel uitmaakt, moeten zowel dit feit als het aantal bladzijden duidelijk op de betrokken vergunning of het betrokken certificaat worden vermeld en dient elke bladzijde van de bijlage te worden voorzien van:

a) het nummer van de vergunning of het certificaat en de datum van afgifte daarvan, en

b) de handtekening en het stempel of zegel van de instantie die de vergunning of het certificaat heeft afgegeven.

Indien het in artikel 2, lid 1, bedoelde formulier wordt gebruikt voor meer dan één soort die deel uitmaakt van een zending, dient daaraan een bijlage te worden gehecht die - naast de gegevens die zijn vereist krachtens het bepaalde in de eerste alinea van dit lid - voor elke soort die deel uitmaakt van de zending een duplicaat omvat van de vakken 8 tot en met 22 van het betrokken formulier alsmede van de ruimten in vak 27 van dat formulier waar de "werkelijk ingevoerde hoeveelheid/nettomassa" en in voorkomend geval het "aantal bij aankomst dode dieren" moeten worden ingevuld.

Indien het in artikel 2, lid 3, bedoelde formulier wordt gebruikt voor meer dan één soort, dient daaraan een bijlage te worden gehecht die - naast de gegevens die zijn vereist krachtens het bepaalde in de eerste alinea van dit lid - voor elke soort een duplicaat omvat van de vakken 4 tot en met 18 van het betrokken formulier.

5. De bepalingen van de leden 1 en 2, lid 3, onder c) en d), en lid 4 zijn eveneens van toepassing in samenhang met besluiten betreffende de aanvaardbaarheid van vergunningen en certificaten die door derde landen zijn afgegeven voor specimens die in de Gemeenschap worden binnengebracht. Indien dergelijke documenten betrekking hebben op specimens waarop vrijwillig vastgestelde uitvoerquota of door de conferentie der partijen bij de overeenkomst toegekende uitvoerquota van toepassing zijn, worden zij alleen aanvaard indien daarop het totale aantal specimens dat in het lopende jaar reeds is uitgevoerd - met inbegrip van die waarop de betrokken vergunning betrekking heeft - alsmede het quotum voor de betrokken soort zijn vermeld. Door derde landen afgegeven wederuitvoercertificaten worden voorts uitsluitend aanvaard indien daarop het land van herkomst en het nummer en de afgiftedatum van de desbetreffende uitvoervergunning alsmede, in voorkomend geval, het land van laatste wederuitvoer en het nummer en de afgiftedatum van het desbetreffende wederuitvoercertificaat zijn aangegeven of indien zij een bevredigende rechtvaardiging bevatten voor het niet vermelden van deze informatie.

Artikel 5

1. De documenten worden afgegeven en gebruikt overeenkomstig deze verordening en Verordening (EG) nr. 338/97, met name artikel 11, leden 1 tot en met 4, en de daar vastgestelde voorwaarden. Zij kunnen voorschriften, voorwaarden en eisen bevatten die door de instantie van afgifte worden gesteld om te verzekeren dat deze verordeningen alsmede de wettelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot de uitvoering daarvan worden nageleefd.

2. Het gebruik van de documenten doet geen afbreuk aan de overige bij de overbrenging van goederen binnen de Gemeenschap, het binnenbrengen van goederen in de Gemeenschap of de uitvoer of wederuitvoer daarvan uit de Gemeenschap te vervullen formaliteiten, noch aan het gebruik van de daarbij vereiste formulieren.

3. In het algemeen treffen de administratieve instanties een besluit over de afgifte van vergunningen en certificaten binnen één maand vanaf de dag waarop een volledige aanvraag is ingediend. Indien de instantie van afgifte evenwel derde partijen dient te raadplegen, kan een dergelijk besluit alleen worden genomen nadat deze raadpleging ten genoegen van de instantie is voltooid. De aanvragers worden van aanzienlijke vertragingen bij de behandeling van hun aanvragen in kennis gesteld.

Artikel 6

Voor elke zending van specimens die als deel van één vracht gezamenlijk worden verzonden, wordt een afzonderlijke invoervergunning, kennisgeving van invoer, uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat afgegeven.

Artikel 7

1. De geldigheidsduur van communautaire invoervergunningen bedraagt niet meer dan twaalf maanden. Een invoervergunning is in ieder geval ongeldig indien een overeenkomstig geldig document van het land van uitvoer of wederuitvoer ontbreekt.

De geldigheidsduur van communautaire uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten bedraagt niet meer dan zes maanden.

Wanneer de geldigheidsduur van de in de eerste en tweede alinea bedoelde communautaire vergunningen en certificaten is verstreken, worden zij nietig geacht en verliezen zij elke rechtsgeldigheid.

De houder zendt het origineel en alle kopieën van vervallen of ongebruikte communautaire invoervergunningen, uitvoervergunningen of wederuitvoercertificaten zonder verwijl aan de administratieve instantie van afgifte terug.

2. De in artikel 20 bedoelde certificaten en de kopieën voor de aanvrager van gebruikte invoervergunningen verliezen hun geldigheid indien daarop vermelde levende specimens zijn gestorven, indien levende dieren zijn ontsnapt, indien specimens zijn vernietigd of indien enig gegeven dat is vermeld in vak 2 of 4 van een certificaat of in vak 3 - in het geval van soorten van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 - of vak 6 of 8 van een kopie voor de aanvrager van een gebruikte invoervergunning niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

De in artikel 20, lid 3, onder e), en in artikel 30 bedoelde certificaten verliezen hun geldigheid indien de in vak 1 vermelde informatie niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

Dergelijke documenten dienen zonder verwijl te worden teruggezonden aan de instantie van afgifte, die in voorkomend geval overeenkomstig artikel 21 een aan de nieuwe situatie aangepast certificaat kan afgeven.

3. Wanneer een vergunning of certificaat wordt afgegeven ter vervanging van een document dat is geannuleerd, verloren, gestolen of vernietigd of waarvan - in het geval van een vergunning of wederuitvoercertificaat - de geldigheidsduur is verstreken, worden daarop het nummer van het vervangen document en de reden van de vervanging aangegeven in het vak bestemd voor de vermelding van de "bijzondere voorwaarden".

4. Wanneer een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is geannuleerd, verloren, gestolen of vernietigd, stelt de administratieve instantie van afgifte de administratieve instantie van het land van bestemming en het secretariaat van de overeenkomst daarvan in kennis.

Artikel 8

1. De invoervergunningen, uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten dienen, rekening houdend met artikel 5, lid 3, tijdig te worden aangevraagd zodat zij kunnen worden afgegeven voordat de specimens de Gemeenschap worden binnengebracht c.q. uit de Gemeenschap worden uitgevoerd of wederuitgevoerd.

Er wordt pas toestemming verleend om de specimens aan een douaneprocedure te onderwerpen, nadat de vereiste documenten zijn overgelegd.

2. Wanneer specimens de Gemeenschap worden binnengebracht, worden de vereiste, van derde landen afkomstige documenten alleen als geldig beschouwd indien zij zijn afgegeven en voor de uitvoer of wederuitvoer van de specimens uit het betrokken land zijn gebruikt vóór het verstrijken van hun geldigheidsduur en indien zij niet later dan zes maanden na de afgiftedatum worden gebruikt voor het binnenbrengen van de specimens in de Gemeenschap.

Certificaten van oorsprong voor specimens van de in bijlage C bij Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde soorten mogen evenwel tot twaalf maanden na de afgiftedatum ervan voor het binnenbrengen van de specimens in de Gemeenschap worden gebruikt.

3. In afwijking van lid 1, eerste alinea, en lid 2 en op voorwaarde dat de invoerder/(weder)uitvoerder de bevoegde administratieve instantie bij de aankomst respectievelijk vóór het vertrek van de betrokken zending in kennis stelt van de redenen waarom de vereiste documenten niet beschikbaar zijn, mogen in uitzonderlijke gevallen de documenten voor specimens van de in de bijlagen B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten alsmede voor de in artikel 4, lid 5, van genoemde verordening bedoelde specimens van de in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten met terugwerkende kracht worden afgegeven indien ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie van de lidstaat - die daarover zo nodig overleg pleegt met de bevoegde instanties van derde landen - is aangetoond dat:

a) de (weder)uitvoerder en/of de invoerder niet verantwoordelijk zijn voor de onregelmatigheden die zich eventueel hebben voorgedaan;

b) de (weder)uitvoer c.q. invoer van de betrokken specimens voor het overige in overeenstemming is met de bepalingen van:

i) Verordening (EG) nr. 338/97;

ii) de overeenkomst, en

iii) de desbetreffende wetgeving van de betrokken derde landen.

4. Op de krachtens lid 3 afgegeven uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten wordt duidelijk vermeld dat zij met terugwerkende kracht zijn afgegeven en wordt de reden van deze afgifte vermeld. In het geval van communautaire invoervergunningen, uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten wordt deze vermelding aangebracht in vak 23.

5. De leden 2, 3 en 4, met uitzondering van lid 3, onder b), i), zijn overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 338/97 van overeenkomstige toepassing op specimens van de in de bijlagen A en B bij genoemde verordening opgenomen soorten die via de Gemeenschap worden doorgevoerd.

6. In het geval van kunstmatig gekweekte planten van de in de bijlagen B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten en kunstmatig gekweekte hybriden van de in bijlage A bij genoemde verordening opgenomen, niet van een annotatie voorziene soorten mogen de lidstaten bepalen dat een fytosanitair certificaat wordt gebruikt in plaats van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat. Wanneer zij door derde landen zijn afgegeven, worden dergelijke fytosanitaire certificaten in de plaats van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat aanvaard.

7. Wanneer een fytosanitair certificaat zoals bedoeld in lid 6 wordt gebruikt, wordt daarop de wetenschappelijke naam op soortniveau of, indien zulks onmogelijk is in het geval van de taxa die als familie in de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 338/97 zijn opgenomen, op geslachtsniveau vermeld; kunstmatig gekweekte orchideeën en cactussen van bijlage B bij die verordening mogen als zodanig worden vermeld. Op de fytosanitaire certificaten worden ook het aantal specimens en de aard daarvan vermeld en zij worden voorzien van een stempel, zegel of andere specifieke vermelding luidens welke "de specimens kunstmatig zijn gekweekt overeenkomstig de omschrijving van CITES".

DEEL 2

Invoervergunningen

Artikel 9

1. De aanvrager vult waar passend de vakken 1, 3 tot en met 6 en 8 tot en met 23 van het aanvraagformulier en de vakken 1, 3 tot en met 5 en 8 tot en met 22 van het origineel en van alle kopieën in. De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraag moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag deze aanvraag betrekking hebben op meer dan één zending.

2. Het/De naar behoren ingevulde formulier(en) wordt/worden ingediend bij de administratieve instantie van de lidstaat van bestemming en bevat(ten) de gegevens en gaat/gaan vergezeld van de bewijsstukken welke deze instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 338/97 een vergunning moet worden afgegeven. Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd. Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een vergunning met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder werd afgewezen, stelt de aanvrager de administratieve instantie in kennis van deze eerdere afwijzing.

Artikel 10

1. In het geval van een invoervergunning die is afgegeven voor specimens van de in bijlage I bij de overeenkomst en in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, kan de "kopie voor het land van uitvoer of wederuitvoer" aan de aanvrager worden teruggezonden ter overlegging aan de administratieve instantie van het land van uitvoer of wederuitvoer. Het origineel wordt, overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), ii), van Verordening (EG) nr. 338/97, ingehouden in afwachting dat de uitvoervergunning of het wederuitvoercertificaat voor de betrokken specimens wordt overgelegd.

2. Indien de "kopie voor het land van uitvoer of wederuitvoer" niet aan de aanvrager wordt teruggezonden, wordt aan deze laatste een schriftelijke verklaring verstrekt dat een invoervergunning zal worden afgegeven en op welke voorwaarden dit zal gebeuren.

Artikel 11

Onverminderd het bepaalde in artikel 23 legt de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger het origineel (formulier nr. 1), de "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) en, voorzover zulks is aangegeven in de invoervergunning, eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer over aan het grensdouanekantoor van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen plaats van binnenkomst in de Gemeenschap. In voorkomend geval vermeldt hij het nummer van de vrachtbrief of de luchtvrachtbrief in vak 26.

Artikel 12

Het douanekantoor bedoeld in artikel 11 - of in artikel 23, lid 1, ingeval dit van toepassing is - geeft, na vak 27 van het origineel (formulier nr. 1) en de "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) te hebben ingevuld, laatstgenoemd document aan de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger terug. Het origineel (formulier nr. 1) en de eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer worden doorgezonden zoals bepaald in artikel 19.

DEEL 3

Kennisgevingen van invoer

Artikel 13

De invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger vult in voorkomend geval de vakken 1 tot en met 13 van het origineel (formulier nr. 1) en van de "kopie voor de invoerder" (formulier nr. 2) van de kennisgeving van invoer in en legt deze, onverminderd het bepaalde in artikel 23, samen met de eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer over aan het grensdouanekantoor van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen plaats van binnenkomst in de Gemeenschap.

Artikel 14

Het douanekantoor bedoeld in artikel 13 - of in artikel 23, lid 1, ingeval dit van toepassing is - geeft, na vak 14 van het origineel (formulier nr. 1) en de "kopie voor de invoerder" (formulier nr. 2) te hebben ingevuld, laatstgenoemd document aan de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger terug. Het origineel (formulier nr. 1) en de eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer worden doorgezonden zoals bepaald in artikel 19.

DEEL 4

Uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten

Artikel 15

1. De aanvrager vult waar passend de vakken 1, 3, 4, 5 en 8 tot en met 23 van het aanvraagformulier en de vakken 1, 3, 4, 5 en 8 tot en met 22 van het origineel en van alle kopieën in. De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraag moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag deze aanvraag betrekking hebben op meer dan één zending.

2. Het/De naar behoren ingevulde formulier(en) wordt/worden ingediend bij de administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden en bevat(ten) de gegevens en gaat/gaan vergezeld van de bewijsstukken welke die instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 338/97 een vergunning of certificaat moet worden afgegeven. Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd. Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een vergunning of een certificaat met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder werd afgewezen, stelt de aanvrager de administratieve instantie in kennis van deze eerdere afwijzing.

3. Wanneer ter staving van een aanvraag voor een wederuitvoercertificaat een "kopie voor de aanvrager" van een invoervergunning, een "kopie voor de invoerder" van een kennisgeving van invoer of een op basis daarvan afgegeven certificaat wordt overgelegd, worden deze documenten pas aan de aanvrager teruggegeven nadat daarop het correcte aantal specimens waarvoor het document geldig blijft, is vermeld. Een dergelijk document wordt niet aan de aanvrager teruggegeven indien het wederuitvoercertificaat wordt afgegeven voor het totale aantal specimens waarvoor het document geldig is, of indien het wordt vervangen overeenkomstig artikel 21. De administratieve instantie controleert de geldigheid van de eventueel ter staving overgelegde documenten, zo nodig in overleg met een administratieve instantie van een andere lidstaat.

De eerste alinea is eveneens van toepassing wanneer een certificaat wordt overgelegd ter staving van een aanvraag voor een uitvoervergunning.

Wanneer specimens onder toezicht van een administratieve instantie van een lidstaat individueel zijn gemerkt teneinde de verwijzing naar de in de eerste en de tweede alinea bedoelde documenten te vergemakkelijken, behoeven deze niet materieel tegelijk met de aanvraag te worden overgelegd indien het nummer ervan in de aanvraag wordt vermeld.

Ingeval geen documenten zoals bedoeld in de eerste, de tweede en de derde alinea ter staving worden overgelegd, controleert de administratieve instantie, zo nodig in overleg met een administratieve instantie van een andere lidstaat, of de voor (weder)uitvoer bestemde specimens wettig de Gemeenschap zijn binnengebracht of daarin zijn verkregen.

4. Indien een administratieve instantie om de in lid 3 bedoelde redenen een administratieve instantie van een andere lidstaat raadpleegt, dient deze laatste binnen een termijn van één week te antwoorden.

Artikel 16

De (weder)uitvoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger legt het origineel (formulier nr. 1), de "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) en de "kopie voor terugzending aan de instantie van afgifte" (formulier nr. 3) over aan een overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen douanekantoor. In voorkomend geval vermeldt hij het nummer van de vrachtbrief of de luchtvrachtbrief in vak 26.

Artikel 17

Het in artikel 16 bedoelde douanekantoor geeft, na vak 27 te hebben ingevuld, het origineel (formulier nr. 1) en de "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) aan de (weder)uitvoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger terug. De "kopie voor terugzending aan de instantie van afgifte" (formulier nr. 3) wordt doorgezonden zoals bepaald in artikel 19.

Artikel 18

Wanneer een lidstaat, overeenkomstig de door de conferentie der partijen bij de overeenkomst vastgestelde richtsnoeren, de kwekerijen registreert die kunstmatig gekweekte specimens van de in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten uitvoeren, mag hij de betrokken kwekerijen van tevoren uitvoervergunningen voor in bijlage A of B opgenomen soorten verstrekken waarop in vak 23 het registratienummer van de kwekerij is aangebracht met de volgende vermelding: "Vergunning uitsluitend geldig voor kunstmatig gekweekte planten zoals omschreven in resolutie 11.11 van de conferentie der partijen bij CITES, uitsluitend geldig voor de volgende taxa ...".

DEEL 5

Teruggave aan de instanties van afgifte van aan de douane overgelegde documenten

Artikel 19

1. De douanekantoren zenden alle documenten die hun overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 338/97 en de onderhavige verordening zijn overgelegd, onverwijld door naar de bevoegde administratieve instantie van hun land.

De administratieve instanties die deze documenten ontvangen, zenden de documenten welke door andere lidstaten zijn afgegeven samen met eventuele aanvullende CITES-documenten onverwijld door naar de betrokken administratieve instanties.

2. In afwijking van lid 1 mogen de douanekantoren de overlegging van documenten die door de administratieve instantie van hun eigen lidstaat zijn afgegeven, elektronisch bevestigen.

DEEL 6

In artikel 10 van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde certificaten

Artikel 20

1. Een administratieve instantie van een lidstaat waar zich specimens bevinden, mag, wanneer zij overeenkomstig de leden 5 en 6 een aanvraag ontvangt, de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde certificaten afgeven, en zulks uitsluitend voor de in die leden gespecificeerde doeleinden.

2. In een certificaat voor de in artikel 5, lid 2, onder b), en leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de specimens:

a) aan de natuur werden onttrokken overeenkomstig de op het grondgebied van de betrokken lidstaat geldende wetgeving, of

b) achtergelaten of ontsnapte specimens zijn die overeenkomstig de op het grondgebied van de betrokken lidstaat geldende wetgeving in bewaring werden genomen, of

c) in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 338/97, of

d) vóór 1 juni 1997 in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad(5), of

e) vóór 1 januari 1984 in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst, of

f) op het grondgebied van een lidstaat werden verkregen of daar werden binnengebracht voordat de bepalingen van de onder c) of d) bedoelde verordeningen of van de overeenkomst daarop van toepassing werden of in die lidstaat van toepassing werden.

3. In een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de betrokken specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort niet vallen onder één of meer verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van die verordening omdat zij:

a) in de Gemeenschap werden verkregen of werden binnengebracht toen de bepalingen betreffende de soorten die in die bijlage, in bijlage I bij de overeenkomst of in bijlage C1 bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 worden genoemd, niet op deze specimens van toepassing waren, of

b) van oorsprong zijn uit een lidstaat en overeenkomstig de op het grondgebied van deze lidstaat geldende wetgeving aan de natuur werden onttrokken, of

c) achtergelaten of ontsnapte specimens zijn, die overeenkomstig de op het grondgebied van de betrokken lidstaat geldende wetgeving in bewaring werden genomen, of

d) in gevangenschap geboren en gefokte dieren of delen daarvan of afgeleide producten daarvan zijn, of

e) mogen worden gebruikt voor één van de in artikel 8, lid 3, onder c) en onder e), f) en g), van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden.

4. In een certificaat voor de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de overbrenging van de betrokken levende specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort vanaf de voorgeschreven plaats zoals vermeld in de invoervergunning of in een eerder afgegeven certificaat, wordt toegestaan.

5. De aanvrager dient in voorkomend geval de vakken 1, 2 en 4 tot en met 19 van het aanvraagformulier en de vakken 1 en 4 tot en met 18 van het origineel en van alle kopieën in te vullen. De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraag moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag deze aanvraag betrekking hebben op meer dan één certificaat.

6. Het naar behoren ingevulde formulier moet worden ingediend bij een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden en moet de gegevens bevatten en vergezeld gaan van de bewijsstukken welke deze instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of een certificaat moet worden afgegeven. Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd. Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een certificaat met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder is afgewezen, moet de aanvrager de administratieve instantie van deze eerdere afwijzing in kennis stellen.

Artikel 21

1. Wanneer een zending die door een "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) van een invoervergunning, een "kopie voor de invoerder" (formulier nr. 2) van een kennisgeving van invoer of een certificaat wordt gedekt, wordt gesplitst of wanneer om andere redenen de op een dergelijk stuk vermelde gegevens niet langer met de werkelijkheid overeenstemmen, kan de administratieve instantie met inachtneming van artikel 4, lid 2, de nodige wijzigingen aanbrengen of één of meer overeenkomende certificaten afgeven, evenwel uitsluitend overeenkomstig artikel 20 en voor de daar genoemde doeleinden en nadat zij zich van de geldigheid van het te vervangen document heeft vergewist, zo nodig in overleg met de administratieve instantie van een andere lidstaat.

2. Wanneer een certificaat wordt afgegeven ter vervanging van een "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) van een invoervergunning, een "kopie voor de invoerder" (formulier nr. 2) van een kennisgeving van invoer of een eerder afgegeven certificaat, wordt het betrokken document bewaard door de administratieve instantie die het certificaat afgeeft.

3. Een verloren, gestolen of vernietigd certificaat kan alleen worden vervangen door de instantie die het heeft afgegeven.

4. Indien een administratieve instantie om de in lid 1 bedoelde redenen een administratieve instantie van een andere lidstaat raadpleegt, dient deze laatste binnen een termijn van één week te antwoorden.

DEEL 7

Etiketten

Artikel 22

1. Overeenkomstig artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 mogen de in artikel 2, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde etiketten uitsluitend worden gebruikt voor de overbrenging van herbariumspecimens, geconserveerde, gedroogde of ingesloten museumspecimens of levend plantenmateriaal in het kader van niet-commerciële uitleningen, schenkingen en uitwisselingen tussen naar behoren geregistreerde wetenschapsmensen en wetenschappelijke instellingen met het oog op wetenschappelijk onderzoek.

2. Aan de in lid 1 bedoelde wetenschapsmensen en wetenschappelijke instellingen wordt door een administratieve instantie van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, een registratienummer toegekend dat vijf tekens telt, waarvan de eerste twee de tweeletterige ISO-landencode voor de betrokken lidstaat vormen en de laatste drie een uniek nummer dat door de bevoegde administratieve instantie aan iedere instelling wordt toegekend.

3. De betrokken wetenschapsmensen en wetenschappelijke instellingen vullen de vakken 1 tot en met 5 van het etiket in en verstrekken, door het toesturen van het daarvoor bestemde deel van het etiket, de administratieve instantie waarbij zij zijn geregistreerd onverwijld volledige inlichtingen inzake het gebruik van ieder etiket.

DEEL 8

Andere douanekantoren dan het grensdouanekantoor op de plaats van binnenkomst

Artikel 23

1. Wanneer een in de Gemeenschap binnen te brengen zending over de zee, via de lucht of per spoor in een grensdouanekantoor aankomt en bestemd is om met hetzelfde vervoer en zonder tussentijdse opslag te worden verzonden naar een ander, overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen communautair douanekantoor, vinden de definitieve controle en de overlegging van de invoerdocumenten in laatstgenoemd kantoor plaats overeenkomstig artikel 4, lid 7, van Verordening (EG) nr. 338/97.

2. Wanneer een zending overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 338/97 in een overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen douanekantoor is gecontroleerd en met het oog op latere douaneprocedures naar een ander douanekantoor wordt verzonden, verlangt laatstgenoemd kantoor de overlegging van de "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) van de invoervergunning, ingevuld overeenkomstig artikel 12 van de onderhavige verordening, of de "kopie voor de invoerder" (formulier nr. 2) van de kennisgeving van invoer, ingevuld overeenkomstig artikel 14, en mag het alle controles uitvoeren die het nodig acht om te kunnen vaststellen of Verordening (EG) nr. 338/97 en de onderhavige verordening zijn nageleefd.

HOOFDSTUK III

IN GEVANGENSCHAP GEBOREN EN GEFOKTE EN KUNSTMATIG GEKWEEKTE SPECIMENS

Artikel 24

Onverminderd het bepaalde in artikel 25 wordt een specimen van een diersoort uitsluitend beschouwd als zijnde in gevangenschap geboren en gefokt indien ten genoegen van een bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de betrokken lidstaat, is aangetoond dat:

a) het een nakomeling is, of bestaat uit een afgeleid product van een nakomeling, die in een gecontroleerd milieu is geboren of op enige andere wijze geteeld, hetzij (in het geval van geslachtelijke voortplanting) als gevolg van de paring of een andere vorm van gametenoverdracht tussen ouderdieren in een gecontroleerd milieu, hetzij (in het geval van ongeslachtelijke voortplanting) uit ouderdieren die zich bij het begin van de ontwikkeling van de nakomeling in een gecontroleerd milieu bevonden;

b) het fokdierenbestand in overeenstemming met de op het moment van verwerving daarop toepasselijke wettelijke bepalingen op een zodanige wijze is gevormd dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade heeft ondervonden;

c) het fokdierenbestand zonder toevoeging van aan de natuur onttrokken specimens in stand wordt gehouden, afgezien van de occasionele aanvulling met dieren, eieren of gameten in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen en op een zodanige wijze dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade ondervindt, en zulks uitsluitend voor de volgende doeleinden:

i) om schadelijke inteelt te voorkomen of te matigen, waarbij de omvang van de aanvulling door de behoefte aan nieuw genetisch materiaal wordt bepaald;

ii) teneinde een bestemming te geven aan verbeurdverklaarde dieren, overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97, of

iii) in uitzonderlijke gevallen, om zich daarvan als fokdieren te bedienen;

d) het fokdierenbestand zelf in een gecontroleerd milieu nakomelingen van de tweede of een latere generatie heeft opgeleverd, dan wel wordt beheerd op een wijze waarvan is aangetoond dat daarbij de productie van nakomelingen van de tweede generatie in een gecontroleerd milieu is gewaarborgd.

Artikel 25

Wanneer een bevoegde instantie het met het oog op de toepassing van artikel 24, artikel 32, onder a), of artikel 33, lid 1, noodzakelijk acht de afstamming van een dier vast te stellen via een typering van het bloed of een ander weefsel, dient deze typering of dienen de daartoe noodzakelijke monsters op de door die instantie voorgeschreven wijze beschikbaar te worden gesteld.

Artikel 26

Een specimen van een plantensoort wordt uitsluitend beschouwd als zijnde kunstmatig gekweekt als ten genoegen van een bevoegde beheersinstantie in overleg met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de lidstaat is aangetoond dat:

a) het een plant is, of bestaat uit een afgeleid product van een plant, die in gecontroleerde omstandigheden - d.w.z. in een niet-natuurlijk, in sterke mate door menselijke ingrepen zoals grondbewerking, bemesting, onkruidbestrijding, bevloeiing of op aankweek gerichte handelingen zoals verpotting, verspening en bescherming tegen ongunstige weersomstandigheden bepaald milieu - is opgekweekt uit een zaad, stek, fragment, weefselcallus of ander plantenweefsel, spore of ander vermeerderingsstadium;

b) het kweekmateriaal werd samengesteld in overeenstemming met de op het moment van verwerving daarop toepasselijke wettelijke bepalingen en op een zodanige wijze in stand wordt gehouden dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade ondervindt;

c) het kweekmateriaal op een zodanige wijze wordt verzorgd dat het duurzame voortbestaan van de lijn is gewaarborgd;

d) wanneer het gaat om geënte planten, zowel de onderstam als de ent kunstmatig is gekweekt zoals bepaald onder a), b) en c).

Hout van bomen afkomstig uit monocultuuraanplanten wordt beschouwd als zijnde kunstmatig gekweekt in de zin van de eerste alinea.

HOOFDSTUK IV

PERSOONLIJKE BEZITTINGEN EN HUISRAAD

Artikel 27

Het binnenbrengen van persoonlijke bezittingen en huisraad in de Gemeenschap

1. De afwijking van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 338/97 voor persoonlijke bezittingen en huisraad uit hoofde van het bepaalde in artikel 7, lid 3, van die verordening geldt niet voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd. Bedoelde afwijking geldt alleen voor specimens, met inbegrip van jachttrofeeën, die deel uitmaken van:

- de persoonlijke bagage van reizigers afkomstig uit derde landen, of

- de persoonlijke bezittingen van natuurlijke personen die, komende vanuit een derde land, hun gewone verblijfplaats kiezen in de Gemeenschap, of

jachttrofeeën die door een reiziger zijn verworven en op een latere datum worden ingevoerd.

2. De afwijking van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 338/97 voor persoonlijke bezittingen en huisraad uit hoofde van het bepaalde in artikel 7, lid 3, van die verordening geldt niet voor specimens van in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten die voor het eerst de Gemeenschap worden binnengebracht door een normaal in de Gemeenschap verblijvende persoon of een persoon die daar zijn verblijfplaats vestigt.

3. Voor het voor de eerste keer binnenbrengen in de Gemeenschap, door een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, waarvan specimens van in bijlage B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten deel uitmaken, is de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet vereist indien het origineel van een (weder)uitvoerdocument en een kopie daarvan worden overgelegd. De douanediensten zenden het origineel door zoals bepaald in artikel 19 en geven de afgestempelde kopie aan de houder terug.

4. Voor het opnieuw binnenbrengen in de Gemeenschap, door een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, waarvan specimens van in bijlage A of B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten deel uitmaken, is de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet vereist indien de door de douane geviseerde "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) van een eerder gebruikte communautaire invoer- of uitvoervergunning, de kopie van het document bedoeld in lid 3 of een bewijs dat de specimens in de Gemeenschap werden verkregen, wordt overgelegd.

5. In afwijking van het bepaalde in de leden 3 en 4 is voor het binnenbrengen of opnieuw binnenbrengen in de Gemeenschap van de volgende in bijlage B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen producten de overlegging van een invoervergunning of (weder)uitvoervergunning niet vereist:

a) kaviaar van steursoorten (Acipenseriformes spp.) ten belope van een maximumhoeveelheid van 250 g per persoon;

b) ten hoogste drie "rainsticks" van Cactaceae spp. per persoon.

Artikel 28

Uitvoer en wederuitvoer van persoonlijke bezittingen en huisraad uit de Gemeenschap

1. De afwijking van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 338/97 voor persoonlijke bezittingen en huisraad uit hoofde van het bepaalde in artikel 7, lid 3, van die verordening geldt niet voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd. Bedoelde afwijking geldt alleen voor specimens die deel uitmaken van:

- de persoonlijke bagage van reizigers die naar een derde land gaan, of

- de persoonlijke bezittingen van natuurlijke personen die, komende vanuit de Gemeenschap, hun gewone verblijfplaats kiezen in een derde land.

2. Bij uitvoer geldt de afwijking van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 338/97 voor persoonlijke bezittingen en huisraad uit hoofde van het bepaalde in artikel 7, lid 3, van die verordening niet voor specimens van in bijlage A of B bij die verordening opgenomen soorten.

3. Voor de wederuitvoer, door een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, waarvan specimens van in bijlage A of B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten deel uitmaken, is de overlegging van een wederuitvoercertificaat aan de douane niet vereist indien de door de douane geviseerde "kopie voor de aanvrager" (formulier nr. 2) van een eerder gebruikte communautaire invoer- of uitvoervergunning, de in artikel 27, lid 3, bedoelde kopie of een bewijs dat de specimens in de Gemeenschap werden verkregen, wordt overgelegd.

4. In afwijking van het bepaalde in de leden 2 en 3 is voor de uitvoer of wederuitvoer van de volgende in bijlage B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen producten de overlegging van een uitvoervergunning of (weder)uitvoerdocument niet vereist:

a) kaviaar van steursoorten (Acipenseriformes spp.) ten belope van een maximumhoeveelheid van 250 g per persoon;

b) ten hoogste drie "rainsticks" van Cactaceae spp. per persoon.

HOOFDSTUK V

VRIJSTELLINGEN

Artikel 29

1. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder a) tot en met c), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.

2. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat de betrokken specimens overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 van de onderhavige verordening in gevangenschap zijn geboren en gefokt of kunstmatig zijn gekweekt.

3. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder e) tot en met g), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan.

4. De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder h), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat de betrokken specimens in een lidstaat aan de natuur zijn onttrokken overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

Artikel 30

Onverminderd het bepaalde in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 kan aan wetenschappelijke instellingen die met het oog op het in dit artikel bepaalde door een administratieve instantie in overleg met een wetenschappelijke autoriteit zijn erkend, een afwijking van de verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van genoemde verordening worden toegestaan door de afgifte van een certificaat dat betrekking heeft op alle specimens van de in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten die deel uitmaken van de collectie en die bestemd zijn voor het fokken in gevangenschap of voor de kunstmatige kweek ter bevordering van de instandhouding van de betrokken soorten of voor onderzoek of opleiding met het oog op het behoud of de instandhouding van de betrokken soorten, op voorwaarde dat de eventuele verkoop van specimens uitsluitend geschiedt aan andere wetenschappelijke instellingen waaraan een dergelijk certificaat is verleend.

Artikel 31

Onverminderd het bepaalde in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 zijn het verbod om specimens van de in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten voor commerciële doeleinden aan te kopen, te koop aan te bieden of te verwerven en de bepaling in artikel 8, lid 3, van die verordening dat ontheffingen van deze verbodsbepalingen per geval worden verleend door de afgifte van een certificaat, niet van toepassing indien de betrokken specimens:

a) gedekt zijn door één van de in artikel 20, lid 3, bedoelde certificaten en worden gebruikt overeenkomstig het daarin vermelde doel, of

b) vallen onder één van de algemene ontheffingen van artikel 32.

Artikel 32

De verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 en de bepaling in artikel 8, lid 3, van die verordening dat ontheffingen daarvan per geval worden verleend door de afgifte van een certificaat, zijn niet van toepassing op:

a) in gevangenschap geboren en gefokte specimens van de in bijlage VIII genoemde diersoorten en de hybriden daarvan, voorzover de specimens behorend tot soorten die van een annotatie zijn voorzien, overeenkomstig artikel 36, lid 1, zijn gemerkt;

b) kunstmatig gekweekte specimens van plantensoorten;

c) meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens zoals omschreven in artikel 2, onder w), van Verordening (EG) nr. 338/97.

In deze gevallen is geen certificaat vereist.

Artikel 33

1. Met het oog op artikel 8, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 338/97 mogen de lidstaten aan fokkers die daartoe door een administratieve instantie zijn geaccrediteerd, van tevoren certificaten verstrekken op voorwaarde dat de betrokkenen een fokregister bijhouden dat op verzoek aan de bevoegde administratieve instantie wordt overgelegd. Op dergelijke certificaten wordt in vak 20 de volgende vermelding aangebracht: "Certificaat uitsluitend geldig voor het (de) volgende taxon (taxa) ...".

2. Met het oog op artikel 8, lid 3, onder d) en h), van Verordening (EG) nr. 338/97 mogen de lidstaten van tevoren certificaten verstrekken aan personen aan wie door een administratieve instantie toestemming is verleend om op basis van dergelijke certificaten dode, in gevangenschap gefokte specimens en/of kleine aantallen dode, in de Gemeenschap legaal aan de natuur onttrokken specimens te verkopen, op voorwaarde dat deze personen:

a) een register bijhouden dat op verzoek aan de bevoegde administratieve instantie wordt overgelegd en dat gedetailleerde gegevens bevat betreffende de verkochte specimens en soorten, de doodsoorzaak (indien bekend), de personen van wie de specimens werden verkregen en de personen aan wie zij werden verkocht, en

b) bij de bevoegde administratieve instantie jaarlijks een verslag indienen dat gedetailleerde gegevens bevat betreffende de omzet over het betrokken jaar, het aantal specimens en de aard daarvan, de betrokken soorten en de manier waarop de specimens werden verkregen.

HOOFDSTUK VI

HET MERKEN VAN SPECIMENS

Artikel 34

1. Voor levende gewervelde dieren wordt een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden slechts afgegeven indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie heeft aangetoond dat de relevante bepalingen van artikel 36 van deze verordening werden nageleefd.

2. Voor de volgende specimens worden invoervergunningen slechts afgegeven indien de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aantoont dat de specimens overeenkomstig artikel 36, lid 4, zijn gemerkt:

a) specimens die afkomstig zijn van een door de conferentie der partijen bij de overeenkomst erkend programma voor fok in gevangenschap;

b) specimens die afkomstig zijn van een door de conferentie der partijen bij de overeenkomst erkend ranching-programma;

c) specimens van een populatie van een in bijlage I bij de overeenkomst opgenomen soort waarvoor door de conferentie der partijen bij de overeenkomst een uitvoerquotum is goedgekeurd;

d) onbewerkte slagtanden van de Afrikaanse olifant alsmede stukken daarvan die zowel meer dan 20 cm lang als meer dan 1 kg zwaar zijn;

e) ongelooide, gelooide en/of geheel bewerkte huiden, flanken, staarten, kelen, poten alsmede repen van de rughuid en andere delen van krokodilachtigen die naar de Gemeenschap worden uitgevoerd alsmede volledige ongelooide, gelooide of geheel bewerkte huiden en flanken van krokodilachtigen die naar de Gemeenschap worden wederuitgevoerd;

f) levende gewervelde dieren behorend tot de in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde soorten die deel uitmaken van een reizende tentoonstelling van levende dieren;

g) primaire recipiënten (blikken, potjes of dozen waarin de kaviaar rechtstreeks is verpakt) die meer dan 249 g kaviaar bevatten, mits op iedere primaire recipiënt die uit een land van herkomst in de Gemeenschap wordt ingevoerd, een niet herbruikbaar etiket is aangebracht;

h) primaire recipiënten die minder dan 250 g kaviaar bevatten, mits op de secundaire recipiënten die uit een land van herkomst in de Gemeenschap worden ingevoerd, een niet herbruikbaar etiket is aangebracht dat een beschrijving van de inhoud omvat.

Artikel 35

1. Wederuitvoercertificaten voor overeenkomstig artikel 34, lid 2, onder a) tot en met d) en f), gemerkte specimens die niet ingrijpend werden gewijzigd, worden alleen afgegeven wanneer de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aantoont dat de oorspronkelijke merktekens intact zijn.

2. Wederuitvoercertificaten voor volledige ongelooide, gelooide en/of geheel bewerkte huiden en flanken van krokodilachtigen worden alleen afgegeven wanneer de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aantoont dat de oorspronkelijke labels intact zijn of dat, wanneer deze labels zijn verloren gegaan of verwijderd, de specimens met een wederuitvoerlabel zijn gemerkt.

3. Voor de volgende specimens worden uitvoervergunningen slechts afgegeven indien de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aantoont dat de specimens overeenkomstig artikel 36, lid 4, zijn gemerkt:

a) primaire recipiënten (blikken, potjes of dozen waarin de kaviaar rechtstreeks is verpakt) die meer dan 249 g kaviaar bevatten, mits op iedere primaire recipiënt een niet herbruikbaar etiket is aangebracht;

b) primaire recipiënten die minder dan 250 g kaviaar bevatten, mits op de secundaire recipiënten een niet herbruikbaar etiket is aangebracht dat een beschrijving van de inhoud omvat.

Artikel 36

1. Met het oog op artikel 34, lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

a) In gevangenschap geboren en gefokte vogels worden gemerkt overeenkomstig lid 5 of, wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat deze methode wegens de lichamelijke of gedragskenmerken van het betrokken dier niet kan worden toegepast, door middel van een fraudebestendige microchiptransponder met een uniek nummer, die voldoet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E);

b) levende gewervelde dieren die geen in gevangenschap geboren en gefokte vogels zijn, worden gemerkt met behulp van een fraudebestendige microchiptransponder met een uniek nummer, die voldoet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E), of de betrokken specimens worden, wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat voornoemde methode wegens de lichamelijke of gedragskenmerken van de betrokken specimens c.q. soorten niet geschikt is, gemerkt met behulp van een ring, manchet, label, tatoeage of soortgelijk identificatiemiddel met een uniek nummer, of zij worden op een andere passende wijze herkenbaar gemaakt.

2. Artikel 34, lid 1, is niet van toepassing wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie wordt aangetoond dat de lichamelijke kenmerken van de betrokken specimens van dien aard zijn, dat op het moment van de afgifte van het desbetreffende certificaat geen enkele merkingsmethode veilig kan worden toegepast. In dit geval vermeldt de betrokken administratieve instantie dit feit in vak 20 van het certificaat of vermeldt zij daar - wanneer op een later tijdstip een merkingsmethode veilig kan worden toegepast - de passende bedingen.

3. Specimens die vóór 1 januari 2002 met een niet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E) beantwoordende microchiptransponder werden gemerkt, of die vóór 1 juni 1997 volgens één van de in lid 1 genoemde methoden werden gemerkt, of die overeenkomstig lid 4 werden gemerkt voordat zij de Gemeenschap werden binnengebracht, worden geacht overeenkomstig het bepaalde in lid 1 te zijn gemerkt.

4. De in artikel 34, lid 2, en artikel 35 bedoelde specimens worden gemerkt volgens de methode die door de conferentie der partijen bij de overeenkomst voor de betrokken specimens is goedgekeurd of aanbevolen.

5. In gevangenschap geboren en gefokte vogels worden gemerkt met behulp van een naadloze, gesloten pootring - d.w.z. een ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid - die van een uniek merkteken is voorzien, waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt, en die commercieel voor dat doel is vervaardigd.

Artikel 37

Wanneer op het grondgebied van de Gemeenschap voor het merken van levende dieren het vasthechten van een identificatieplaatje, manchet, ring of ander voorwerp, het aanbrengen van een merkteken op enig lichaamsdeel of het inplanten van een microchiptransponder noodzakelijk is, geschiedt dit met de gepaste zorgen, rekening houdend met het welzijn en het natuurlijk gedrag van het betrokken specimen.

Artikel 38

1. De bevoegde instanties van de lidstaten erkennen de merkingsmethoden die door de bevoegde instanties van de andere lidstaten overeenkomstig artikel 36 zijn goedgekeurd.

2. Alle gegevens op het merkteken worden vermeld op de voor het desbetreffende specimen afgegeven vergunningen of certificaten indien dergelijke documenten krachtens deze verordening zijn vereist.

HOOFDSTUK VII

RAPPORTEN EN INFORMATIE

Artikel 39

1. De lidstaten vergaren gegevens over de invoer in en de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeenschap op basis van de door hun administratieve instanties afgegeven vergunningen en certificaten, ongeacht de feitelijke plaats van binnenkomst of (weder)uitvoer. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, onder a), van Verordening (EG) nr. 338/97 delen de lidstaten deze informatie met betrekking tot de soorten van de bijlagen A, B en C bij genoemde verordening per kalenderjaar vóór 15 juni van het volgende jaar aan de Commissie mee in gecomputeriseerde vorm en overeenkomstig de door het secretariaat van de overeenkomst gepubliceerde "Richtsnoeren voor het opstellen en indienen van de CITES-jaarverslagen". Deze verslagen bevatten de gegevens over de in beslag genomen en verbeurdverklaarde zendingen.

2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt overgelegd in twee afzonderlijke delen:

a) een deel betreffende de invoer, uitvoer en wederuitvoer van specimens van de in de bijlagen bij de overeenkomst opgenomen soorten, en

b) een deel betreffende de invoer, uitvoer en wederuitvoer van specimens van de andere in de bijlagen A, B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten alsmede het binnenbrengen in de Gemeenschap van specimens van de in bijlage D bij die verordening opgenomen soorten.

3. Met betrekking tot de invoer van zendingen die levende dieren bevatten, leggen de lidstaten - zo mogelijk - statistieken aan van het percentage specimens van de in de bijlagen A en B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, dat dood was op het moment van het binnenbrengen in de Gemeenschap.

4. Voor ieder kalenderjaar worden de in lid 3 bedoelde statistieken, opgesplitst naar soort en naar land van (weder)uitvoer, vóór 15 juni van het daaropvolgende jaar aan de Commissie meegedeeld.

5. De in artikel 15, lid 4, onder c), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde informatie omvat nauwkeurige gegevens betreffende de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die zijn genomen met het oog op de uitvoering en het toezicht op de naleving van Verordening (EG) nr. 338/97 en van deze verordening.

Artikel 40

1. Met het oog op de voorbereiding van wijzigingen van Verordening (EG) nr. 338/97 overeenkomstig artikel 15, lid 5, van die verordening delen de lidstaten met betrekking tot de reeds in de bijlagen opgenomen soorten en de voor opneming in aanmerking komende soorten, de Commissie alle relevante informatie mee betreffende:

a) de biologische situatie van deze soorten en de situatie ten aanzien van de handel daarin;

b) het gebruik dat van specimens van deze soorten wordt gemaakt; en

c) de methoden om toe te zien op de in de handel gebrachte specimens.

2. Elk ontwerp voor een wijziging van bijlage B of D bij Verordening (EG) nr. 338/97 overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder c) of d), of artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening wordt door de Commissie aan de wetenschappelijke studiegroep ter beoordeling voorgelegd voordat het bij het comité wordt ingediend.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 41

1. Zodra overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 338/97 een beperking is opgelegd en totdat deze beperking wordt opgeheven, wijzen de lidstaten aanvragen voor invoervergunningen voor uit het (de) betrokken land(en) van herkomst uitgevoerde specimens af.

2. In afwijking van lid 1 mag een invoervergunning worden afgegeven wanneer:

a) de aanvraag van een invoervergunning was ingediend voordat de beperking werd opgelegd, en

b) ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie van de lidstaat het bestaan wordt aangetoond van een contract of bestelling waarvoor de betaling is verricht of als gevolg waarvan de specimens reeds zijn verzonden.

3. De geldigheidsduur van een krachtens de in lid 2 genoemde afwijking verleende invoervergunning mag ten hoogste één maand bedragen.

4. De in lid 1 bedoelde beperkingen zijn, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, niet van toepassing op:

a) overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 in gevangenschap geboren en gefokte of kunstmatig gekweekte specimens;

b) specimens die worden ingevoerd voor de in artikel 8, lid 3, onder e), f) of g), van Verordening (EG) nr. 338/97 omschreven doeleinden;

c) levende of dode specimens die deel uitmaken van het huisraad van personen die de Gemeenschap binnenkomen om zich daar te vestigen.

Artikel 42

Verordening (EG) nr. 939/97 wordt ingetrokken.

Artikel 43

1. Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3626/82 en artikel 22 van Verordening (EEG) nr. 3418/83 van de Commissie(6) afgegeven certificaten mogen verder worden gebruikt voor de doeleinden zoals omschreven in artikel 5, lid 2, onder b), lid 3, onder b), c) en d), en lid 4, tweede en derde alinea, en artikel 8, lid 3, onder a) en d) tot en met h), van Verordening (EG) nr. 338/97.

2. Toegestane afwijkingen van de verbodsbepalingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3626/82 blijven geldig tot de laatste dag van hun geldigheidstermijn voorzover deze is gespecificeerd.

3. De lidstaten mogen tot één jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening certificaten blijven afgeven in de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 939/97 gespecificeerde vorm.

Artikel 44

De lidstaten stellen de Commissie en het secretariaat van de overeenkomst in kennis van de specifieke bepalingen die zij ter uitvoering van deze verordening invoeren alsmede van alle juridische instrumenten die zij toepassen en alle maatregelen die zij treffen bij de uitvoering en het toezicht op de naleving van deze verordening. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 45

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 augustus 2001.

Voor de Commissie

Margot Wallström

Lid van de Commissie

(1) PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.

(2) PB L 209 van 2.8.2001, blz. 14.

(3) PB L 140 van 30.5.1997, blz. 9.

(4) PB L 145 van 15.5.1998, blz. 3.

(5) PB L 384 van 31.12.1982, blz. 1.

(6) PB L 344 van 7.12.1983, blz. 1.

BIJLAGE I

>PIC FILE= "L_2001250NL.001502.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.001601.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.001701.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.001801.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.001901.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.002001.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.002101.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.002301.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.002401.TIF">

BIJLAGE II

>PIC FILE= "L_2001250NL.002502.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.002601.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.002701.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.002801.TIF">

BIJLAGE III

>PIC FILE= "L_2001250NL.002902.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.003001.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.003101.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.003301.TIF">

>PIC FILE= "L_2001250NL.003401.TIF">

BIJLAGE IV

IN ARTIKEL 2, LID 4, EN ARTIKEL 22 BEDOELD ETIKET

>PIC FILE= "L_2001250NL.003502.TIF">

BIJLAGE V

CODES TER OMSCHRIJVING VAN DE SPECIMENS EN EENHEDEN DIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 4, LID 3, ONDER a) EN b), IN DE VERGUNNINGEN EN CERTIFICATEN MOETEN WORDEN GEBRUIKT

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Lijst van eenheden (het gebruik van de overeenkomstige niet-metrieke eenheden is toegestaan):

g= gram

kg= kilogram

l= liter

cm3= kubieke centimeter

ml= milliliter

m= meter

m2= vierkante meter

m3= kubieke meter

n= aantal specimens.

BIJLAGE VI

STANDAARDNOMENCLATUURWERKEN DIE KRACHTENS ARTIKEL 4, LID 3, ONDER c), MOETEN WORDEN GEVOLGD BIJ HET AANGEVEN VAN DE WETENSCHAPPELIJKE NAAM VAN DE SOORTEN OP VERGUNNINGEN EN CERTIFICATEN

a) Mammal species of the world: A taxonomic and geographic reference, tweede editie (D. E. Wilson en D. M. Reeder (red.), 1993, Smithsonian Institute Press) voor de zoogdierennomenclatuur, met uitzondering van het geslacht Balaenoptera, waarvoor gebruik dient te worden gemaakt van Rice, D.W., 1998: Marine mammals of the World. Systematics and distribution. Special Publication Number 4: i-ix, 1-231; The Society for Marine Mammals.

b) A reference list of the birds of the world (J.J. Morony, W.J. Bock en J. Farrand Jr, 1975, American Museum of Natural History) voor de orde- en familienamen van vogels.

c) Distribution and taxonomy of birds of the world (C.G. Sibley en B.L. Monroe Jr, 1990, Yale University Press) en het Supplement to: Distribution and taxonomy of birds of the world (Sibley en Monroe, 1993; Yale University Press) voor de geslachts- en soortnamen van vogels.

d) Schildkröte, Krokodile, Brückenechsen (Wermuth, H. en R. Mertens, 1996 (herdruk), i-xxvi, 1-506, Gustav Fischer Verlag, Jena, ISBN 3-437-35048-X) voor de namen van krokodilachtigen, land-, water- en zeeschildpadden en brughagedissen, en A revised checklist with distribution maps of the turtles of the world (Iverson, J.B., 1992: i-xiii, 1-363, in eigen beheer uitgegeven door J.B. Iverson, Dept of Biology, Earlham College, Richmond, Indiana 47374, USA, ISBN 0-9617431-0-5) voor de verspreiding van land-, water- en zeeschildpadden.

e) Herpetology (Pough, F.H., R.M. Andrews, J.E. Cadle, M.L. Crump, A.H. Savitzky en K.D. Wells, 1998, i-xi, 1-577) voor de omschrijving van de families van de Sauria.

f) Chamaeleonidae (C.J.J. Klaver en W. Böhme, 1997. Das Tierreich 112: i-xv, 1-85; Walter de Gruyter, Berlin, New York, ISBN 3-11-015187-1) voor de soortnamen van alle kameleons.

g) Reptiles del noroeste, nordeste y este de la Argentina - Herpetofauna de las selvas subtropicales, puna y pampa, 1993 (Cei, José M. In Monografie XIV, Museo Regionale di Scienze Naturali), Lizards of Brazilian Amazonia (Avila Pires, T.C.S., 1995, Zool. Verh. 299: 1-706, Nationaal Natuurhistorisch Museum, Leiden, ISBN 90-73239-40-0); A new species of Tupinambis (Squamata: Teiidae) from Central Brazil, with an analysis of morphological and genetic variation in the genus (Colli, G.R., A.K. Péres en H.J. da Cunha, 1998, Herpetologica 54 (4): 477-492); en A new species of Tupinambis Daudin, 1802 (Squamata, Teiidae) from Central Brazil (Manzani, P.R. en A.S. Abe, 1997, Boletim do Museu Nacional. Nov. Ser. Zool. 382: 1-10) voor de soortnamen in het geslacht Tupinambis.

h) Snake species of the world: A taxonomic and geographic reference: Volume 1 (Campbell, McDiamid en Touré, 1997), gepubliceerd onder auspiciën van de Herpetologists' League, voor de slangennomenclatuur, met uitzondering van de volgende gevallen: de volgende namen voor Boidae uit Madagascar moeten worden gehandhaafd: Acrantophis dumerilii Jan, 1860, Acrantophis madagascariensis (Duméril & Bibron, 1844) en Sanzinia madagascariensis (Duméril & Bibron, 1844); in de geslachten Calabaria, Charina en Lichanura moeten de volgende namen blijven worden gebruikt: Calabaria reinhardtii (Schlegel, 1848), Charina bottae (Blainville, 1935) en Lichanura trivirgata (Cope, 1861); in het geval van de subspecifieke indeling van Python molurus worden twee ondersoorten onderscheiden, namelijk P. m. molurus (Linnaeus, 1758) en P. m. bivittatus Kuhl, 1820.

i) Amphibian species of the world: A taxonomic and geographic reference (D. R. Frost, 1985, Allen Press en The Association of Systematics Collections) en Amphibian species of the world: Additions and corrections (W. E. Duellman, 1993, University of Kansas) voor de amfibieënnomenclatuur en A review of the genus Mantella (Anura, Ranidae, Mantellinae): taxonomy, distribution and conservation of Malagasy poison frogs, (Vences, M., F. Glaw en W. Böhme, 1999; Alytes 17(1-2): 3-72) voor het geslacht Mantella.

j) Catalog of Fishes. (Eschmeier, W. N., 1998, Vol. 1. Introductory materials. Species of Fishes A-L: 1-958. Vol. 2. Species of Fishes M-Z: 959-1820. Vol. 3. Genera of Fishes. Species and genera in a classification. Literature cited. Appendices: 1821-2905. California Academy of Sciences, ISBN 0-940228-47-5) voor de taxonomie en de namen van alle vissen.

k) In het geslacht Brachypelma moeten de volgende namen worden gebruikt:

Brachypelma albopilosum Valerio, 1980

Brachypelma angustum Valerio, 1980

Brachypelma auratum Schmidt, 1992

Brachypelma aureoceps (Chamberlin, 1917)

Brachypelma baumgarteni Smith, 1993

Brachypelma boehmei Schmidt & Klaas, 1994

Brachypelma embrithes (Chamberlin & Ivie, 1936)

Brachypelma emilia (White, 1856)

Brachypelma epicureanum (Chamberlin, 1925)

Brachypelma fossorium Valerio, 1980

Brachypelma mesomelas (Pickard-Cambridge, 1892)

Brachypelma sabulosum (Pickard-Cambridge, 1897)

Brachypelma smithi (Pickard-Cambridge, 1897) (omvat de synoniemen Brachypelma annitha en Brachypelma harmorii)

Brachypelma vagans (Ausserer, 1875).

l) The Plant book, herdruk (D.J. Mabberley, 1990, Cambridge University Press) voor de geslachtsnamen van alle CITES-planten, tenzij deze zijn achterhaald door de hierna onder n) tot en met r) genoemde, door de conferentie der partijen aangenomen standaard-checklists.

m) A Dictionary of Flowering Plants and Ferns, achtste editie (J.C. Willis, herzien door H.K. Airy Shaw, 1973, Cambridge University Press) voor niet in The Plant Book genoemde generieke synoniemen, tenzij deze zijn achterhaald door de hierna onder m) tot en met q) genoemde, door de conferentie der partijen aangenomen standaard-checklists.

n) A World List of Cycads (D.W. Stevenson, R. Osborne en K.D. Hill, 1995; In: P. Vorster (red.), Proceedings of the Third International Conference on Cycad Biology, pp. 55-64, Cycad Society of South Africa, Stellenbosch) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de Cycadaceae, Stangeriaceae en Zamiaceae.

o) The Bulb Checklist (1997, samengesteld door de Royal Botanic Gardens, Kew, UK) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de geslachten Cyclamen (Primulaceae), Galanthus en Sternbergia (Liliaceae).

p) The CITES Checklist of Succulent Euphorbia Taxa (Euphorbiaceae) (1997, uitgegeven door het Duitse Bundesamt für Naturschutz) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de succulente Euphorbia-soorten.

q) The CITES Cactaceae Checklist, tweede editie (1999, samengesteld door D. Hunt, Royal Botanic Gardens, Kew, UK) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de Cactaceae.

r) The CITES Orchid Checklist (samengesteld door de Royal Botanic Gardens, Kew, UK) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de geslachten Cattleya, Cypripedium, Laelia, Paphiopedilum, Phalaenopsis, Phragmipedium, Pleione en Sophronitis (Volume I, 1995) en Cymbidium, Dendrobium, Disa, Dracula en Encyclia (Volume 2, 1997).

BIJLAGE VII

1. In artikel 4, lid 3, onder d), bedoelde codes voor het aangeven van het doel van de transactie in vergunningen en certificaten

B= Fok in gevangenschap of kunstmatige kweek

E= Educatieve doeleinden

G= Botanische tuinen

H= Jachttrofeeën

L= Handhaving van de wetgeving

M= Biomedisch onderzoek

N= Introductie of reïntroductie in het wild

P= Persoonlijke bezittingen

Q= Circussen en reizende tentoonstellingen

S= Wetenschappelijke doeleinden

T= Commerciële doeleinden

Z= Dierentuinen.

2. In artikel 4, lid 3, onder e), bedoelde codes voor het aangeven van de oorsprong van de specimens in vergunningen en certificaten

W= Aan de natuur onttrokken specimens

R= Door ranching verkregen specimens

D= Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1808/2001 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A= Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1808/2001 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C= Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1808/2001 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F= In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1808/2001 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I= In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens(1)

O= Van vóór de overeenkomst daterende specimens(1)

U= Oorsprong onbekend (nader te motiveren).

(1) Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.

BIJLAGE VIII

IN ARTIKEL 32, ONDER a), BEDOELDE DIERSOORTEN

AVES

ANSERIFORMES

Anatidae

Anas laysanensis

Anas querquedula

Aythya nyroca

Branta ruficollis

Branta sandvicensis

Oxyura leucocephala

GALLIFORMES

Phasianidae

Catreus wallichi

Colinus virginianus ridgwayi

Crossoptilon crossoptilon

Crossoptilon mantchuricum

Lophophurus impejanus

Lophura edwardsi

Lophura swinhoii

Polyplectron emphanum

Syrmaticus ellioti

Syrmaticus humiae

Syrmaticus mikado

COLUMBIFORMES

Columbidae

Columba livia

PSITTACIFORMES

Psittacidae

Cyanoramphus novaezelandiae

Psephotus dissimilis

PASSERIFORMES

Fringillidae

Carduelis cucullata