verordening (EG) nr. 338/97

U kunt hier inloggen of registreren als ringenbesteller



VERORDENING (EG) Nr. 338/97 VAN DE RAAD van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),

(1) Overwegende dat door Verordening (EEG) nr. 3626/82 (4) de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten sedert 1 januari 1984 in de Gemeenschap ten uitvoer is gelegd; dat die overeenkomst ten doel heeft de bedreigde dier- en plantesoorten te beschermen door middel van de controle op de internationale handel in specimens van deze soorten;

(2) Overwegende dat het van belang is Verordening (EEG) nr. 3626/82 te vervangen om in het wild levende dier- en plantesoorten die door de handel worden of kunnen worden bedreigd, beter te beschermen door een verordening waarin rekening wordt gehouden met de wetenschappelijke kennis die sinds de aanneming is opgedaan en met de huidige structuur van het handelsverkeer; dat voorts de opheffing van de controles aan de binnengrenzen ingevolge de interne markt noopt tot de aanneming van strengere controlemaatregelen voor de handel aan de buitengrenzen van de Gemeenschap en daartoe een controle van de documenten en goederen door het grensdouanekantoor van binnenkomst voor te schrijven;

(3) Overwegende dat de bepalingen van deze verordening geen afbreuk doen aan de strengere maatregelen die de Lid-Staten met inachtneming van het Verdrag kunnen nemen of handhaven, met name wat betreft het houden van specimens van soorten die onder deze verordening vallen;

(4) Overwegende dat het van belang is objectieve criteria vast te stellen voor het opnemen van in het wild levende dier- en plantesoorten in de bijlagen bij deze verordening;

(5) Overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze verordening vergt dat er gemeenschappelijk voorwaarden worden toegepast voor de afgifte, het gebruik en de overlegging van de documenten in verband met de toestemming om specimens van de soorten die onder deze verordening vallen, in de Gemeenschap binnen te brengen of uit de Gemeenschap uit te voeren dan wel weder uit te voeren; dat het van belang is specifieke bepalingen vast te stellen voor de doorvoer van specimens door de Gemeenschap;

(6) Overwegende dat een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming, bijgestaan door de wetenschappelijke autoriteit van die Lid-Staat, in voorkomende gevallen met inachtneming van een advies van de wetenschappelijke adviesgroep, tot taak heeft een beslissing te nemen over de verzoeken om specimens in de Gemeenschap te mogen binnenbrengen;

(7) Overwegende dat de bepalingen inzake wederuitvoer moeten worden aangevuld met een raadplegingsprocedure om het risico van overtredingen te beperken;

(8) Overwegende dat er ten behoeve van een doeltreffende bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten aanvullende beperkingen kunnen worden opgelegd voor het binnenbrengen van specimens in de Gemeenschap en de uitvoer uit de Gemeenschap; dat deze beperkingen voor levende specimens op communautair niveau kunnen worden aangevuld met beperkingen voor het houden en het vervoer binnen de Gemeenschap;

(9) Overwegende dat het noodzakelijk is specifieke bepalingen vast te stellen voor specimens die in gevangenschap zijn geboren en opgegroeid of kunstmatig zijn voortgebracht, voor specimens die onder persoonlijke bezittingen of huisraad vallen, alsmede voor leningen, schenkingen of uitwisselingen voor niet-commerciële doeleinden tussen bekende wetenschappers en erkende wetenschappelijke instellingen;

(10) Overwegende dat het ten behoeve van een volledigere bescherming van de onder deze verordening vallende soorten noodzakelijk is bepalingen vast te stellen voor de controle in de Gemeenschap op de handel en het vervoer van de soorten, alsmede op de manier waarop deze worden ondergebracht; dat voor de certificaten die uit hoofde van deze verordening worden afgeleverd en die bijdragen tot de controle op deze activiteiten, gemeenschappelijk regels moeten worden vastgesteld inzake afgifte, geldigheid en gebruik;

(11) Overwegende dat er maatregelen moeten worden genomen om de negatieve gevolgen voor de levende specimens van het vervoer naar, uit of binnen de Gemeenschap, zo gering mogelijk te houden;

(12) Overwegende dat het ten behoeve van een doeltreffende controle en ter vergemakkelijking van de douaneprocedure van belang is douanekantoren aan te wijzen die over gekwalificeerd personeel beschikken en die zullen worden belast met het vervullen van de nodige formaliteiten en bijbehorende verificaties bij het binnenbrengen in de Gemeenschap teneinde de specimens een douanebestemming te geven in de zin van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (5), of bij uitvoer of wederuitvoer uit de Gemeenschap; dat men eveneens dient te beschikken over voorzieningen die garanderen dat de levende specimens zorgvuldig worden ondergebracht en behandeld;

(13) Overwegende dat voor de tenuitvoerlegging van deze verordening door de Lid-Staten ook administratieve instanties en wetenschappelijke autoriteiten moeten worden aangewezen;

(14) Overwegende dat voorlichting en bewustmaking van het publiek, met name op de grensposten, over de uitvoeringsbepalingen van deze verordening, de naleving van deze bepalingen kunnen vergemakkelijken;

(15) Overwegende dat de Lid-Staten ten behoeve van een doeltreffende toepassing van deze verordening aandachtig moeten toezien op de naleving van haar bepalingen en daartoe nauw moeten samenwerken met elkaar en met de Commissie; dat dit vereist dat er informatie in verband met de tenuitvoerlegging van deze verordening wordt doorgegeven;

(16) Overwegende dat het toezicht op de omvang van het handelsverkeer in de in het wild levende dier- en plantesoorten die onder deze verordening vallen, van cruciaal belang is voor de beoordeling van de effecten van de handel op de staat van instandhouding van de soorten, en dat er gedetailleerde jaarverslagen moeten worden opgesteld volgens een gemeenschappelijk model;

(17) Overwegende dat het voor de naleving van deze verordening van belang is dat de Lid-Staten aan personen die inbreuken plegen, adequate sancties opleggen die in een passende verhouding staan tot de aard en de ernst daarvan;

(18) Overwegende dat het van essentieel belang is een communautaire procedure in te stellen waardoor de uitvoeringsbepalingen en de wijzigingen in de bijlagen bij deze verordening binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden aangenomen; dat er een comité dient te worden opgericht voor een nauwe en doeltreffende samenwerking op dit gebied tussen de Lid-Staten en de Commissie;

(19) Overwegende dat het gezien de talrijke biologische en ecologische aspecten die bij de tenuitvoerlegging van deze verordening in aanmerking moeten worden genomen, van belang is een wetenschappelijke studiegroep op te richten waarvan de adviezen door de Commissie aan het comité en aan de administratieve instanties van de Lid-Staten zullen worden meegedeeld teneinde deze bij hun besluitvorming te helpen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

Deze verordening heeft ten doel, in het wild levende dier- en plantesoorten te beschermen en in stand te houden door de controle op het desbetreffende handelsverkeer overeenkomstig de in de volgende artikelen vastgestelde bepalingen.

Deze verordening is van toepassing met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de in artikel 2 omschreven Overeenkomst.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a) "het comité": het bij artikel 18 opgerichte comité voor de handel in wilde dier- en plantesoorten;

b) "de Overeenkomst": de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten (CITES);

c) "land van herkomst": land waar een specimen is gevangen of aan de natuur is onttrokken, in gevangenschap is gekweekt of door kunstmatige voortplanting is verkregen;

d) "kennisgeving van invoer": de kennisgeving die op het moment dat een specimen van een in bijlage C of D genoemde soort in de Gemeenschap wordt binnengebracht, door de invoerder, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger wordt gedaan op een formulier dat de Commissie volgens de procedure van artikel 18 heeft voorgeschreven;

e) "aanvoer vanuit zee": het rechtstreeks binnenbrengen in de Gemeenschap van een specimen dat is onttrokken aan het mariene milieu dat niet tot het rechtsgebied van enige staat behoort, met inbegrip van het luchtruim boven de zee en de zeebodem en ondergrond daaronder;

f) "afgifte": de afhandeling van de gehele procedure van het opstellen en valideren van een vergunning of certificaat, alsmede de overhandiging daarvan aan de aanvrager;

g) "administratieve instantie": een nationale administratieve instantie die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder a), waar het een Lid-Staat betreft en overeenkomstig artikel IX van de Overeenkomst waar het een derde land betreft dat partij is bij de Overeenkomst;

h) "Lid-Staat van bestemming": de Lid-Staat van bestemming die wordt vermeld in het document voor de uitvoer of de wederuitvoer van een specimen; in geval van aanvoer vanuit zee de Lid-Staat waaronder de plaats van bestemming van een specimen ressorteert;

i) "tekoopstelling": het te koop aanbieden alsmede elke handeling die redelijkerwijs als dusdanig uitgelegd kan worden, met inbegrip van rechtstreekse of onrechtstreekse reclame met het oog op verkoop en het uitnodigen tot zaken doen;

j) "persoonlijke bezittingen of huisraad": dode specimens alsmede delen en produkten daarvan, die een particulier toebehoren en die deel uitmaken van zijn gewone persoonlijke bezittingen of daartoe bestemd zijn;

k) "plaats van bestemming": de plaats die op het moment van het binnenbrengen van de specimens in de Gemeenschap geldt als hun voorziene gewone bewaarplaats; voor levende specimens is dit de eerste plaats waar zij naar verwachting zullen worden ondergebracht na afloop van een eventuele quarantaine of enige andere vorm van isolatie ten behoeve van sanitaire keuring en controle;

l) "populatie": een volledige in biologisch of geografisch opzicht onderscheiden groep individuen;

m) "overwegend commerciële doeleinden": alle doeleinden waarvan de niet-commerciële aspecten niet duidelijk de overhand hebben;

n) "wederuitvoer uit de Gemeenschap": uitvoer uit de Gemeenschap van een specimen dat daar eerder is binnengebracht;

o) "reïntroductie in de Gemeenschap": het binnenbrengen van een specimen dat eerder werd uitgevoerd of wederuitgevoerd;

p) "verkoop": alle vormen van verkoop. Voor de toepassing van deze verordening worden huur, ruil of uitwisseling gelijkgesteld met verkoop; uitdrukkingen van dezelfde strekking worden in dezelfde zin geïnterpreteerd;

q) "wetenschappelijke autoriteit": een door een Lid-Staat overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), of door een derde land dat partij is bij de Overeenkomst conform artikel IX van de Overeenkomst, aangewezen wetenschappelijke autoriteit;

r) "wetenschappelijke studiegroep": het bij artikel 17 ingestelde adviesorgaan;

s) "soort": een soort, ondersoort of populatie daarvan;

t) "specimen": elk dier of elke plant, dood of levend, van de in de bijlagen A tot en met D genoemde soorten, elk deel daarvan en elk daarvan verkregen produkt, al dan niet in andere goederen vervat, alsmede alle goederen waarvan op grond van een bewijsstuk, verpakking, merkteken of etiket of enige andere omstandigheid moet worden aangenomen dat het gaat om delen of produkten van tot deze soorten behorende dieren of planten, tenzij deze delen of produkten door middel van een aanduiding in die zin in de bijlagen waarin de betrokken soorten genoemd worden, expliciet van het toepassingsgebied van deze verordening of van de bepalingen met betrekking tot de betrokken bijlage zijn uitgesloten.

Een specimen wordt beschouwd als een specimen behorend tot één van de in de bijlagen A tot en met D genoemde soorten indien het een dier of een plant is, dan wel een deel of een afgeleid produkt van een dier of een plant, waarvan ten minste één "ouder" tot een dergelijke soort behoort. Wanneer de "ouders" van een dergelijk dier of een dergelijke plant behoren tot soorten die in verschillende bijlagen worden genoemd, of tot soorten waarvan er slechts één in een bijlage wordt genoemd, zijn de bepalingen van de meest restrictieve bijlage van toepassing. Voor specimens van hybride planten waarvan slechts een "ouder" behoort tot een in bijlage A genoemde soort, zijn de bepalingen van de meest restrictieve bijlage evenwel slechts van toepassing indien zulks met betrekking tot deze soort in de bijlage is vermeld;

u) "handel": het binnenbrengen in de Gemeenschap met inbegrip van de aanvoer vanuit zee, de uitvoer en wederuitvoer vanuit de Gemeenschap en het gebruik, het vervoer en de overdracht van eigendom, in de Gemeenschap of in een Lid-Staat, van specimens waarop de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn;

v) "doorvoer": het vervoeren van specimens tussen twee punten buiten de Gemeenschap via het grondgebied van de Gemeenschap, naar een met name genoemde consignataris en zonder andere onderbrekingen van de reis dan die welke bij deze vorm van vervoer onvermijdelijk zijn;

w) "meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens": specimens die meer dan 50 jaar vóór de inwerkingtreding van deze verordening ter vervaardiging van juwelen, decoratie, kunstvoorwerpen, gebruiksvoorwerpen of muziekinstrumenten zijn gebracht in een toestand die grondig verschilt van hun natuurlijke ruwe staat en waarvan ten genoegen van de administratieve instantie van de betrokken Lid-Staat is aangetoond dat zij onder die voorwaarden zijn verworven. Dergelijke specimens gelden enkel als bewerkt indien zij duidelijk passen in een van de genoemde categorieën en indien zij de beoogde functie kunnen vervullen zonder dat daarvoor nog snijwerk, bewerking of verdere afwerking nodig zijn;

x) "controles bij het binnenbrengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de doorvoer": de documentcontrole betreffende de bij deze verordening vereiste certificaten, vergunningen en kennisgevingen en, indien communautaire bepalingen zulks voorschrijven of in de overige gevallen door een representatieve steekproef van de zendingen, het onderzoek van specimens, eventueel vergezeld van een monsterneming voor een grondiger onderzoek of controle.

Artikel 3

Toepassingsgebied

1. Bijlage A bij deze verordening omvat:

a) de in bijlage I bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor de Lid-Staten geen voorbehoud hebben gemaakt;

b) soorten

i) die voor gebruik in de Gemeenschap afgenomen worden of kunnen worden of die het voorwerp van internationale handel uitmaken of kunnen uitmaken, en die met uitsterven bedreigd worden dan wel zo zeldzaam zijn dat ook het meest beperkte handelsverkeer het voortbestaan van de soort in gevaar zou brengen,

of

ii) die behoren tot een genus waarvan de meeste soorten, of die een soort vormen waarvan de meeste ondersoorten, op basis van de onder a) of onder b), i), vermelde criteria in bijlage A zijn opgenomen en die zelf ook in die bijlage dienen te worden opgenomen, omdat anders een doeltreffende bescherming van de beoogde taxa onmogelijk is.

2. Bijlage B bij deze verordening omvat:

a) de in bijlage II bij de Overeenkomst opgenomen soorten die niet in bijlage A zijn opgenomen, en waarvoor de Lid-Staten geen voorbehoud hebben gemaakt;

b) de in bijlage I bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor een voorbehoud is gemaakt;

c) niet in de bijlagen I of II bij de Overeenkomst opgenomen soorten:

i) die het voorwerp uitmaken van zoveel internationale handel dat deze een bedreiging zou kunnen vormen:

- voor het voortbestaan van deze soorten, of het voortbestaan van de populaties daarvan in bepaalde landen, of

- voor de instandhouding van de populatie op een voldoende getalsterkte opdat deze soorten in de ecosystemen waarin ze voorkomen hun rol naar behoren zouden kunnen vervullen;

of

ii) waarvan de opneming in de bijlage, gezien hun uiterlijke gelijkenis met andere in bijlage A of bijlage B opgenomen soorten, onontbeerlijk is om de handel in tot deze soorten behorende specimens daadwerkelijk te kunnen controleren;

d) soorten waarvan vaststaat dat het binnenbrengen van levende specimens in het natuurlijk milieu van de Gemeenschap een ecologische bedreiging vormt voor inheemse, in het wild levende dier- en plantesoorten van de Gemeenschap.

3. Bijlage C bij deze verordening omvat:

a) de in bijlage III bij de Overeenkomst opgenomen soorten die niet in de bijlagen A of B zijn opgenomen en waarvoor de Lid-Staten geen voorbehoud hebben gemaakt;

b) de in bijlage II bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor een voorbehoud is gemaakt.

4. Bijlage D bij deze verordening omvat:

a) niet in de bijlagen A, B en C vermelde soorten waarvan de omvang van de invoer in de Gemeenschap een controle rechtvaardigt,

en

b) de in bijlage III bij de Overeenkomst opgenomen soorten waarvoor een voorbehoud is gemaakt.

5. Waar het bestand van de soorten die onder deze verordening vallen, hun opname in één van de bijlagen bij deze Overeenkomst noodzakelijk maakt, zullen de Lid-Staten aan de nodige wijzigingen bijdragen.

Artikel 4

Binnenbrengen in de Gemeenschap

1. Specimens van in bijlage A bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming.

Die invoervergunning mag enkel worden afgegeven met inachtneming van de in lid 6 opgelegde beperkingen en indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) uitgaande van het advies van de wetenschappelijke studiegroep is de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van mening dat het binnenbrengen in de Gemeenschap:

i) geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort;

ii) geschiedt:

- voor een van de in artikel 8, lid 3, onder e), f) en g), genoemde doeleinden, dan wel

- voor andere doeleinden die het voortbestaan van de betrokken soort niet nadelig beïnvloeden;

b) i) de aanvrager bewijst dat de specimens zijn verkregen overeenkomstig de wetgeving betreffende de bescherming van de betrokken soort, hetgeen, in het geval van de invoer uit derde landen van specimens van een in de bijlagen bij de Overeenkomst opgenomen soort inhoudt dat een conform de Overeenkomst door een bevoegde autoriteit van het land van uitvoer of wederuitvoer afgegeven uitvoervergunning, wederuitvoercertificaat of een kopie daarvan, dient te worden overgelegd;

ii) voor de afgifte van een invoervergunning voor de soorten die in bijlage A zijn opgenomen op grond van artikel 3, lid 1, onder a), is een dergelijk bewijsstuk evenwel niet vereist, maar de originele invoervergunning wordt pas aan de aanvrager overhandigd, nadat hij een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat heeft voorgelegd;

c) de bevoegde wetenschappelijke autoriteit heeft de zekerheid verkregen dat levende specimens op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om de specimens in stand te houden en goed te verzorgen;

d) de administratieve instantie heeft de zekerheid verkregen dat het specimen niet voor overwegend commerciële doeleinden gebruikt zal worden;

e) de administratieve instantie heeft via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen de afgifte van de invoervergunning; en

f) in geval van aanvoer vanuit zee heeft de administratieve instantie de zekerheid verkregen dat levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer worden gereedgemaakt en verzonden dat de risico's van verwonding, ziekte of ruwe behandeling worden voorkomen.

2. Specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, een invoervergunning is voorgelegd die werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat van bestemming.

De invoervergunning mag enkel worden afgegeven met inachtneming van de in lid 6 opgelegde beperkingen en wanneer:

a) de bevoegde wetenschappelijke autoriteit, na onderzoek van de beschikbare gegevens en uitgaande van het advies van de wetenschappelijke studiegroep, oordeelt dat het binnenbrengen in de Gemeenschap, rekening houdend met het huidige of te verwachten niveau van de handel, geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort. Dit advies blijft geldig voor latere invoer, zolang de bovenvermelde elementen niet ingrijpend zijn gewijzigd;

b) de aanvrager aan de hand van documenten staaft dat levende specimens op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om de specimens in stand te houden en goed te verzorgen;

c) aan de voorwaarden van lid 1, onder b), i), e) en f), is voldaan.

3. Specimens van de in bijlage C genoemde soorten mogen slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht kennisgeving van invoer is gedaan, en:

a) de aanvrager, in geval van uitvoer uit een land dat met betrekking tot de betrokken soort in bijlage C is genoemd, door middel van een overeenkomstig de Overeenkomst door een daartoe bevoegde autoriteit van het betrokken land afgegeven uitvoervergunning staaft dat de specimens zijn verkregen in overeenstemming met de nationale wetgeving inzake de instandhouding van de betrokken soort, of

b) de aanvrager, in geval van uitvoer uit een land dat niet met betrekking tot de betrokken soort in bijlage C is genoemd, of in geval van wederuitvoer uit welk land ook, een overeenkomstig de Overeenkomst door een bevoegde autoriteit van het land van uitvoer of wederuitvoer afgegeven uitvoervergunning, wederuitvoercertificaat of certificaat van oorsprong voorlegt.

4. Specimens van de in bijlage D bij deze verordening genoemde soorten mogen slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht, indien de nodige controles zijn verricht en vooraf in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht kennisgeving van invoer is gedaan.

5. De in lid 1, onder a) en d), en in lid 2, onder a), b) en c), genoemde voorwaarden voor de afgifte van een invoervergunning zijn niet van toepassing op specimens waarvoor de aanvrager aan de hand van een document bewijst:

a) dat zij voorheen langs legale weg in de Gemeenschap zijn binnengebracht of verworven en dat zij, al dan niet gewijzigd, opnieuw in de Gemeenschap worden binnengebracht, of

b) dat het bewerkte specimens zijn die meer dan 50 jaar geleden werden verkregen.

6. In overleg met de betrokken landen van herkomst kan de Commissie volgens de procedure van artikel 18 en met inachtneming van de adviezen van de wetenschappelijke studiegroep, algemene - of bepaalde landen van herkomst betreffende - beperkingen opleggen ten aanzien van het binnenbrengen in de Gemeenschap:

a) van specimens van in bijlage A genoemde soorten, op basis van de in lid 1, onder a), i), of e), genoemde voorwaarden,

b) van specimens van in bijlage B genoemde soorten, op basis van de in lid 1, onder e), of lid 2, onder a), genoemde voorwaarden, en

c) van levende specimens van in bijlage B genoemde soorten die een grote sterfte tijdens het vervoer vertonen of waarvan vaststaat dat zij in gevangenschap een drastisch verlaagde levensverwachting hebben, of

d) van levende specimens van soorten waarvan vaststaat dat introductie in het natuurlijk milieu van de Gemeenschap een ecologische bedreiging vormt voor inheemse in het wild levende dier- en plantesoorten van de Gemeenschap.

De Commissie maakt elk kwartaal een lijst van de eventuele beperkingen in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend.

7. Indien bepaalde specimens, wanneer zij in de Gemeenschap worden binnengebracht, op schepen worden overgeladen, dan wel per vliegtuig of per spoor worden vervoerd, worden volgens de procedure van artikel 18 ontheffingen toegestaan op de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde controle en voorlegging van invoerdocumenten in het douanekantoor aan de grens waar zij worden binnengebracht, zodat deze controle en voorlegging in een ander, overeenkomstig artikel 12, lid 1, aangewezen douanekantoor kunnen geschieden.

Artikel 5

Uitvoer of wederuitvoer uit de Gemeenschap

1. Specimens van de in bijlage A van deze verordening genoemde soorten mogen slechts uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten vervuld worden, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd, dat is afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat waar de specimens zich bevinden.

2. Voor de in bijlage A genoemde specimens mag enkel een uitvoervergunning worden afgegeven indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) de bevoegde wetenschappelijke autoriteit heeft in een schriftelijk advies gesteld dat het vangen of verzamelen van de specimens of de uitvoer daarvan geen nadelig effect heeft op de instandhouding van de soort of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort;

b) de aanvrager staaft aan de hand van documenten dat de specimens verkregen zijn overeenkomstig de vigerende wetgeving betreffende de bescherming van de betrokken soort; indien de aanvraag wordt ingediend bij een andere Lid-Staat dan de Staat van herkomst, kan zulks geschieden door middel van een certificaat waarin wordt verklaard dat het specimen aan zijn natuurlijk milieu is onttrokken overeenkomstig de vigerende wetgeving op zijn grondgebied;

c) de administratieve instantie heeft de zekerheid verkregen dat:

i) levende specimens op een zodanige wijze voor vervoer gereed gemaakt en verzonden zullen worden dat de risico's van verwonding, ziekte of ruwe behandeling tot een minimum beperkt zijn, en

ii) - de specimens van soorten die niet in bijlage I bij de Overeenkomst zijn vermeld, niet voor overwegend commerciële doeleinden zullen worden gebruikt, of

- in geval van uitvoer van specimens van de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde soorten naar een Staat die partij is bij de Overeenkomst, een invoervergunning is afgegeven;

en

d) de administratieve instantie van de Lid-Staat heeft via overleg met de bevoegde wetenschappelijke autoriteit de zekerheid verkregen dat er geen andere argumenten in verband met de instandhouding van de soort pleiten tegen afgifte van de uitvoervergunning.

3. Een wederuitvoercertificaat mag enkel worden afgegeven indien is voldaan aan de in lid 2, onder c) en d), genoemde voorwaarden en de aanvrager aan de hand van documenten bewijst dat de specimens:

a) overeenkomstig de bepalingen van deze verordening in de Gemeenschap werden binnengebracht, of

b) overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3626/82 in de Gemeenschap werden binnengebracht, indien dit plaatsvond vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening, of

c) in de internationale handel zijn gebracht overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst, indien het gaat om vóór 1984 in de Gemeenschap binnengebrachte specimens, of

d) langs wettelijke weg op het grondgebied van een Lid-Staat binnengebracht werden voordat de in de onder a) en b) bedoelde verordeningen of de Overeenkomst op die specimens, of in die Lid-Staat, van toepassing werden.

4. Specimens van de in de bijlagen B en C genoemde soorten mogen slechts uit de Gemeenschap uitgevoerd of wederuitgevoerd worden indien de nodige controles zijn verricht en vooraf bij het douanekantoor waar de uitvoerformaliteiten vervuld worden, een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is voorgelegd die/dat werd afgegeven door een administratieve instantie van de Lid-Staat waar de specimens zich bevinden.

Een uitvoervergunning mag enkel worden afgegeven indien aan de in lid 2, onder a), b), c), i), en d), genoemde voorwaarden is voldaan.

Een wederuitvoercertificaat mag enkel worden afgegeven indien is voldaan aan de in lid 2, onder c), i) en d), en in lid 3, onder a), b), c), en d), genoemde voorwaarden.

5. Indien een aanvraag voor een wederuitvoercertificaat betrekking heeft op specimens die bij binnenkomst in de Gemeenschap vergezeld gingen van een door een andere Lid-Staat afgegeven invoervergunning, pleegt de administratieve instantie vooraf overleg met de administratieve instantie die de invoervergunning heeft afgegeven. De overlegprocedures en de gevallen waarin overleg vereist is, worden volgens de procedure van artikel 18 vastgesteld.

6. De in lid 2, onder a) en c), ii), genoemde voorwaarden voor de afgifte van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat zijn niet van toepassing op:

i) bewerkte specimens die meer dan 50 jaar geleden werden verkregen, of

ii) dode specimens, delen daarvan en van deze specimens verkregen produkten waarvoor de aanvrager aan de hand van documenten kan bewijzen dat zij langs legale weg zijn verkregen voordat de bepalingen van deze verordening, van Verordening (EEG) nr. 3626/82 of van de Overeenkomst daarop van toepassing werden.

7. a) De bevoegde wetenschappelijke autoriteit van elke Lid-Staat controleert de door die Lid-Staat afgegeven uitvoervergunningen voor specimens van de in bijlage B opgenomen soorten alsmede de daadwerkelijke uitvoer van deze specimens. Zodra een wetenschappelijke autoriteit van oordeel is dat de uitvoer van specimens behorend tot een dergelijke soort beperkt dient te worden met het oog op de instandhouding van die soort in haar gehele areaal op een niveau waarop zij haar rol in het ecosysteem waarin ze voorkomt naar behoren kan vervullen, en ver boven het niveau waarop zij overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), of onder b), i), voor opneming in bijlage A in aanmerking zou komen, deelt de wetenschappelijke autoriteit de bevoegde administratieve instantie schriftelijk mee welke de gepaste maatregelen zijn die moeten worden genomen om de afgifte van uitvoervergunningen voor de specimens van deze soort te beperken.

b) Wanneer een administratieve instantie van dergelijke maatregelen op de hoogte is gebracht, deelt zij die - tezamen met haar opmerkingen - mee aan de Commissie; volgens de procedure van artikel 18 beveelt de Commissie eventueel uitvoerbeperkingen met betrekking tot de betrokken soort aan.

Artikel 6

Afwijzing van aanvragen voor in de artikelen 4, 5 en 10 bedoelde vergunningen en certificaten

1. Wanneer een Lid-Staat een aanvraag voor een vergunning of certificaat afwijst en wanneer het in het licht van de doelstellingen van deze verordening gaat om een significant geval, stelt hij de Commissie daarvan onverwijld in kennis en deelt hij haar de redenen van zijn afwijzing mee.

2. Met het oog op de eenvormige toepassing van deze verordening deelt de Commissie aan de andere Lid-Staten de informatie mee die zij overeenkomstig lid 1 heeft verkregen.

3. Wanneer een vergunning of certificaat wordt aangevraagd voor specimens waarvoor eerder een dergelijke aanvraag werd afgewezen, dient de aanvrager de bevoegde instantie waarbij de aanvraag wordt ingediend van deze vroegere afwijzing op de hoogte te brengen.

4. a) De Lid-Staten erkennen de afwijzing van aanvragen door de bevoegde instanties van de andere Lid-Staten wanneer deze op bepalingen van de onderhavige verordening gebaseerd zijn.

b) Dit geldt evenwel niet indien de omstandigheden fundamenteel gewijzigd zijn of indien een aanvraag stoelt op nieuwe documenten. Indien een administratieve instantie in dergelijke gevallen een vergunning of certificaat afgeeft, brengt zij de Commissie van deze afgifte en van de redenen daarvoor op de hoogte.

Artikel 7

Afwijkingen

1. In gevangenschap geboren en gefokte of kunstmatig gekweekte specimens

a) Met uitzondering van de toepassing van artikel 8 zijn op specimens van de in bijlage A genoemde soorten die in gevangenschap zijn geboren en gefokt of kunstmatig zijn gekweekt, de bepalingen van toepassing die gelden voor specimens van in bijlage B genoemde soorten.

b) Voor kunstmatig gekweekte planten kan van het bepaalde in de artikelen 4 en 5 worden afgeweken onder welbepaalde, door de Commissie vast te stellen voorwaarden met betrekking tot:

i) het gebruik van fytosanitaire certificaten,

ii) de transacties van ingeschreven handelaren en van de in lid 4 van dit artikel bedoelde wetenschappelijke instellingen, en

iii) de handel in hybride specimens.

c) De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 18, naast de onder b) bedoelde bijzondere voorwaarden, ook de criteria vast aan de hand waarvan moet worden uitgemaakt of een specimen in gevangenschap geboren en gefokt of kunstmatig gekweekt is en of dit al dan niet voor handelsdoeleinden gebeurde.

2. Doorvoer

a) In afwijking van artikel 4 zijn, indien een specimen via de Gemeenschap wordt doorgevoerd, de controle en de overlegging van de voorgeschreven vergunningen, certificaten en kennisgevingen in het douanekantoor aan de grens waar de specimens worden binnengebracht, niet vereist.

b) In het geval van soorten die overeenkomstig artikel 3, lid 1 en lid 2, onder a) en b), in de bijlagen zijn opgenomen, is de onder a) bedoelde afwijking alleen van toepassing indien een geldig document voor uitvoer of wederuitvoer zoals in de Overeenkomst is bepaald, dat overeenkomt met de specimens waarvoor het als begeleidend document dient, en waarin de bestemming van het specimen nader wordt vermeld, is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het derde land van uitvoer of wederuitvoer.

c) Indien het onder b) bedoelde document niet vóór de uitvoer of wederuitvoer is afgegeven, moet het specimen in beslag worden genomen en kan het in voorkomend geval verbeurd worden verklaard, tenzij het document achteraf toch wordt overgelegd onder de door de Commissie volgens de procedure van artikel 18 vastgestelde voorwaarden.

3. Persoonlijke bezittingen en huisraad

In afwijking van de artikelen 4 en 5 zijn de daarin vervatte bepalingen niet van toepassing op dode specimens, delen daarvan of daaruit verkregen produkten van soorten genoemd in de bijlagen A tot en met D bij deze verordening die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad die in de Gemeenschap worden binnengebracht dan wel uit de Gemeenschap worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, in overeenstemming met de bepalingen die volgens de procedure van artikel 18 door de Commissie worden vastgesteld.

4. Wetenschappelijke instellingen

De in de artikelen 4, 5, 8 en 9 voorgeschreven documenten behoeven niet te worden overgelegd wanneer het gaat om uitlening, schenking of uitwisseling voor niet-commerciële doeleinden tussen wetenschapsmensen en wetenschappelijke instellingen die door een administratieve instantie van de Staat waarin ze zijn gevestigd zijn ingeschreven, van specimens uit herbaria en van andere geconserveerde gedroogde of ingesloten specimens uit musea en van levende planten die voorzien zijn van een etiket waarvan het model wordt vastgesteld volgens de procedure van artikel 18, of van een gelijksoortig etiket, afgegeven of goedgekeurd door een administratieve instantie van een derde land.

Artikel 8

Bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten

1. De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden.

2. De Lid-Staten kunnen het in bezit hebben van specimens, met name van tot de in bijlage A genoemde soorten behorende levende dieren, verbieden.

3. In overeenstemming met de voorschriften van andere Gemeenschapswetgeving betreffende de instandhouding van wilde fauna en flora kan per geval ontheffing van de in lid 1 genoemde verbodsbepalingen worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat door een administratieve instantie van de Lid-Staat waarin de specimens zich bevinden, indien de specimens:

a) werden verkregen of werden binnengebracht voordat de bepalingen betreffende de soorten als genoemd in bijlage I bij de Overeenkomst of in bijlage C 1 bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 of in bijlage A bij de onderhavige verordening, van toepassing werden op die specimens; of

b) bewerkte specimens zijn die meer dan 50 jaar geleden zijn verkregen; of

c) in de Gemeenschap werden binnengebracht overeenkomstig de bepalingen van deze verordening en bestemd zijn om te worden gebruikt voor doeleinden die het voortbestaan van de betrokken soort niet nadelig beïnvloeden; of

d) in gevangenschap geboren en gefokte specimens zijn van een diersoort of kunstmatig gekweekte specimens van een plantesoort of een deel van zo'n dier of zo'n plant zijn of daaruit zijn verkregen; of

e) onder bijzondere omstandigheden en met naleving van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (6) nodig zijn met het oog op de vooruitgang van de wetenschap of voor belangrijke biomedische doeleinden indien de betrokken soort de enige blijkt te zijn die daarvoor geschikt is, en geen in gevangenschap geboren en gefokte specimens van die soort beschikbaar zijn; of

f) bestemd zijn voor fok- of kweekdoeleinden en dientengevolge zullen bijdragen tot de instandhouding van de betrokken soorten; of

g) bestemd zijn voor onderzoek of onderwijs dat de bescherming of de instandhouding van de soort op het oog heeft; of

h) van oorsprong zijn uit een Lid-Staat en overeenkomstig de in die Lid-Staat geldende wetgeving aan hun natuurlijk milieu werden onttrokken.

4. Volgens de procedure van artikel 18 kan de Commissie, op basis van de voorwaarden van lid 3, algemene afwijkingen van de verbodsbepalingen van lid 1 vaststellen, alsmede algemene ontheffingen met betrekking tot de soorten die overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), ii), in bijlage A zijn opgenomen. Dergelijke afwijkingen moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften van andere Gemeenschapswetgeving inzake de instandhouding van wilde fauna en flora.

5. De in lid 1 genoemde verbodsbepalingen gelden ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna.

6. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen de specimens van de in de bijlagen B tot en met D bij deze verordening genoemde soorten die zij uit hoofde van deze verordening verbeurd hebben verklaard, verkopen op voorwaarde dat zij op deze wijze niet rechtstreeks terugkeren naar de natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij in beslag werden genomen of die medeschuldig aan de inbreuk is. Deze specimens kunnen dan voor alle doeleinden worden gebruikt alsof zij legaal waren verworven.

Artikel 9

Vervoer van levende specimens

1. Voor elk vervoer binnen de Gemeenschap van een levend specimen van een soort opgenomen in bijlage A van de plaats die vermeld wordt op de invoervergunning of op een certificaat dat in overeenstemming met deze verordening is afgegeven, is de voorafgaande toestemming vereist van een administratieve instantie van de Lid-Staat waarin het specimen zich bevindt. In de overige gevallen van vervoer moet de persoon die verantwoordelijk is voor het vervoer in voorkomend geval het bewijs van de wettelijke oorsprong van het specimen kunnen leveren.

2. Toestemming wordt:

a) alleen verleend wanneer de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van die Lid-Staat of - indien het vervoer naar een andere Lid-Staat plaatsvindt - wanneer de bevoegde wetenschappelijke autoriteit van deze laatste zich ervan heeft vergewist dat de geplande accommodatie op de plaats van bestemming van een levend specimen voldoende is uitgerust om het in stand te houden en goed te verzorgen;

b) bevestigd door afgifte van een certificaat; en

c) indien van toepassing, onmiddellijk meegedeeld aan een administratieve instantie van de Lid-Staat waarnaar het specimen zal worden verzonden.

3. Deze toestemming is evenwel niet vereist indien een levend dier voor een urgente veterinaire behandeling moet worden vervoerd en daarna rechtstreeks wordt teruggebracht naar de plaats waar het zich mag bevinden.

4. Indien een levend specimen van een soort genoemd in bijlage B binnen de Gemeenschap wordt vervoerd, mag degene die het specimen in zijn bezit heeft, hiervan uitsluitend afstand doen indien de toekomstige ontvanger voldoende is ingelicht over het onderbrengen, de uitrusting en de handelingen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het specimen op gepaste wijze zal worden behandeld.

5. Indien levende specimens vervoerd worden naar, uit of binnen de Gemeenschap, of bij doorvoer of overlading op een bepaalde plaats worden gehouden, dienen zij op een zodanige wijze te worden gereeedgemaakt, vervoerd en verzorgd dat risico's van verwondingen, ziekte en ruwe behandeling tot een minimum worden beperkt en dit, indien het om dieren gaat, in overeenstemming met de communautaire regelgeving inzake de bescherming van dieren gedurende het vervoer.

6. Volgens de procedure van artikel 18 kan de Commissie beperkingen opleggen ten aanzien van het in het bezit hebben of vervoer van levende specimens van soorten waarvoor overeenkomstig artikel 4, lid 6, beperkingen inzake het binnenbrengen in de Gemeenschap zijn vastgesteld.

Artikel 10

Af te geven certificaten

Wanneer zij van de betrokkene een van de nodige bewijsstukken vergezelde aanvraag ontvangt en wanneer is voldaan aan de voorwaarden inzake afgifte, kan een administratieve instantie van een Lid-Staat een certificaat afgeven voor de doeleinden van artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, lid 3, artikel 5, lid 4, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b).

Artikel 11

Geldigheid van en speciale voorwaarden met betrekking tot vergunningen en certificaten

1. Onverminderd strengere maatregelen die de Lid-Staten kunnen aannemen of handhaven zijn vergunningen en certificaten die overeenkomstig deze verordening door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten zijn verstrekt, in de hele Gemeenschap geldig.

2. a) Elke vergunning of elk certificaat evenwel, alsmede elke vergunning of elk certificaat die/dat op basis daarvan werd afgegeven, wordt als nietig beschouwd indien door een bevoegde autoriteit of door de Commissie in overleg met de bevoegde autoriteit die de vergunning of het certificaat heeft afgeleverd, wordt bewezen dat dit is geschied aan de hand van de foute veronderstelling dat aan de voorwaarden voor afgifte was voldaan.

b) Specimens die zich bevinden op het grondgebied van een Lid-Staat en waarvoor dat soort documenten werd opgemaakt, worden in beslag genomen door de bevoegde autoriteiten van die Lid-Staat en kunnen verbeurd worden verklaard.

3. Aan elke vergunning of elk certificaat dat overeenkomstig deze verordening door een autoriteit werd afgegeven, kunnen voorwaarden en vereisten worden verbonden die door die autoriteit zijn opgelegd om te garanderen dat aan de bepalingen daarvan wordt voldaan. Indien dergelijke voorwaarden als vereisten als standaardformulering in vergunningen of certificaten dienen te worden opgenomen, stellen de Lid-Staten de Commissie daarvan in kennis.

4. Elke invoervergunning die is afgegeven op basis van een kopie van de overeenkomstige uitvoervergunning, respectievelijk het overeenkomstige wederuitvoercertificaat, is alleen geldig voor het binnenbrengen van specimens in de Gemeenschap indien zij vergezeld gaat van het originele exemplaar van de uitvoervergunning, respectievelijk van het uitvoercertificaat.

5. De Commissie stelt de termijnen voor de afgifte van vergunningen en certificaten vast volgens de procedure van artikel 18.

Artikel 12

Plaats van binnenkomst en uitvoer

1. De Lid-Staten wijzen de douanekantoren aan waar de controles en formaliteiten worden vervuld voor het binnenbrengen in de Gemeenschap, ten behoeve van het verlenen van een douanebestemming overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek, en voor de uitvoer uit de Gemeenschap van specimens van onder deze verordening vallende soorten; zij geven tevens aan welke douanekantoren speciaal voor levende specimens zijn bestemd.

2. Alle krachtens lid 1 aangewezen kantoren worden voorzien van voldoende en deskundig personeel. De Lid-Staten zorgen ervoor dat adequate accommodatievoorzieningen beschikbaar zijn, overeenkomstig de bepalingen van de relevante communautaire wetgeving inzake het vervoer en het onderbrengen van levende dieren en, wanneer zulks nodig is, dat adequate voorzieningen voor levende planten worden getroffen.

3. Alle overeenkomstig lid 1 aangewezen kantoren worden meegedeeld aan de Commissie, die de lijst ervan publiceert in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

4. In uitzonderlijke gevallen en overeenkomstig de volgens de procedure van artikel 18 vastgestelde criteria kan een administratieve instantie toestemming geven om de betrokken specimens via een ander douanekantoor dan die welke overeenkomstig lid 1 zijn aangewezen, in de Gemeenschap binnen te brengen, c. q. daaruit uit te voeren of weder uit te voeren.

5. De Lid-Staten zorgen ervoor dat het publiek bij de grenspost wordt geïnformeerd over de toepassingsbepalingen van deze verordening.

Artikel 13

Administratieve instanties, wetenschappelijke autoriteiten en andere bevoegde instanties

1. a) Iedere Lid-Staat wijst een administratieve hoofdinstantie aan die belast wordt met de uitvoering van deze verordening en de contacten met de Commissie.

b) Iedere Lid-Staat kan tevens nog meer administratieve instanties en andere bevoegde instanties aanwijzen die bijstand verlenen bij de uitvoering, in welk geval de administratieve hoofdinstantie ervoor verantwoordelijk is dat de instanties die assistentie verlenen alle informatie krijgen die voor een correcte toepassing van de verordening nodig is.

2. Iedere Lid-Staat wijst een of meer wetenschappelijke autoriteiten aan die over de nodige kwalificaties beschikken en andere taken hebben dan die van de aangewezen administratieve instanties.

3. a) Uiterlijk drie maanden vóór de toepassingsdatum van deze verordening delen de Lid-Staten aan de Commissie de namen en adressen mee van de administratieve instanties, de wetenschappelijke autoriteiten en andere autoriteiten die bevoegd zijn om vergunningen en certificaten af te geven; deze informatie wordt binnen een maand bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

b) Iedere in lid 1, onder a), bedoelde administratieve instantie deelt op verzoek van de Commissie binnen twee maanden de namen en voorbeelden van handtekeningen mee van personen die gemachtigd zijn om vergunningen of certificaten te ondertekenen, alsmede stempelafdrukken, zegels of andere merken die gebruikt worden om vergunningen of certificaten te legaliseren.

c) De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van elke verandering in de reeds verstrekte informatie, en zulks niet later dan twee maanden nadat een wijziging is doorgevoerd.

Artikel 14

Controle op de uitvoering en onderzoek naar inbreuken

1. a) De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten zien toe op de naleving van de bepalingen van deze verordening.

b) Indien de bevoegde autoriteiten op een bepaald ogenblik redenen hebben om te geloven dat deze bepalingen niet worden nageleefd, nemen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden nageleefd of om een rechtsvordering in te stellen.

c) De Lid-Staten delen de Commissie en het secretariaat van de Overeenkomst, wat betreft de in de bijlagen bij de Overeenkomst vermelde soorten, alle maatregelen mee die de bevoegde autoriteiten ten aanzien van significante overtredingen van deze verordening hebben genomen, waaronder inbeslagname en verbeurdverklaring.

2. De Commissie vestigt de aandacht van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op de zaken waarvoor zij een onderzoek in het kader van deze verordening noodzakelijk acht. De Lid-Staten delen de Commissie en het secretariaat van de Overeenkomst, wat betreft de in de bijlagen bij de Overeenkomst vermelde soorten, het resultaat van alle daaropvolgende onderzoeken mee.

3. a) Er wordt een Toezichtsgroep opgericht, bestaande uit de vertegenwoordigers van de autoriteiten van iedere Lid-Staat, die belast zijn met de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze verordening. De Groep wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

b) De Toezichtsgroep bestudeert ieder technisch vraagstuk betreffende de tenuitvoerlegging van deze verordening dat de voorzitter op eigen initiatief of op verzoek van de leden van de Groep of het comité aan de orde stelt.

c) De Commissie deelt de in de Toezichtsgroep geuite opvattingen mee aan het comité.

Artikel 15

Verstrekken van informatie

1. De Lid-Staten en de Commissie verstrekken elkaar de nodige informatie voor de uitvoering van deze verordening.

De Lid-Staten en de Commissie zien erop toe dat de nodige maatregelen worden genomen om het publiek bewust te maken van en te informeren over de toepassingsbepalingen van de Overeenkomst en van deze verordening, en van de uitvoeringsmaatregelen daarvan.

2. De Commissie onderhoudt contacten met het secretariaat van de Overeenkomst om ervoor te zorgen dat de Overeenkomst doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd op het grondgebied waarop deze verordening van toepassing is.

3. De Commissie deelt adviezen van de wetenschappelijke studiegroep onmiddellijk mee aan de administratieve instanties van de betrokken Lid-Staten.

4. a) De administratieve instanties van de Lid-Staten delen de Commissie elk jaar vóór 15 juni alle informatie mee betreffende het voorafgaande jaar die nodig is om de in artikel 8, lid 7, van de Overeenkomst bedoelde rapporten op te stellen, alsmede gelijkwaardige informatie over de internationale handel in alle specimens van de in de bijlagen A, B en C genoemde soorten en over het binnenbrengen in de Gemeenschap van specimens van de in bijlage D genoemde soorten. De informatie die moet worden meegedeeld en het formaat voor de indiening ervan worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 18.

b) Op basis van de onder a) bedoelde informatie publiceert de Commissie jaarlijks vóór 31 oktober een statistisch verslag over het binnenbrengen in de Gemeenschap en de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeenschap van de specimens van de soorten waarop deze verordening van toepassing is, en verstrekt zij het secretariaat van de Overeenkomst de informatie over de onder de Overeenkomst vallende soorten.

c) Onverminderd artikel 20 verstrekken de administratieve instanties van de Lid-Staten de Commissie om het andere jaar vóór 15 juni, en wel voor de eerste maal in 1999, alle informatie betreffende de voorgaande twee jaar die vereist is voor het opstellen van de in artikel VIII, lid 7, onderdeel b), van de overeenkomst bedoelde rapporten benevens gelijkwaardige informatie over de bepalingen van deze verordening die buiten het toepassingsgebied van de overeenkomst vallen. De Commissie bepaalt volgens de procedure van artikel 18 welke informatie moet worden verstrekt en in welke vorm dat dient te geschieden.

d) Op basis van de onder c) bedoelde informatie stelt de Commissie om het andere jaar vóór 31 oktober, en wel voor de eerste maal in 1999, een rapport op over de uitvoering en handhaving van deze verordening.

5. Met het oog op de wijzigingen van de bijlagen delen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten de Commissie alle relevante informatie mee. Volgens de procedure van artikel 18 bepaalt de Commissie welke informatie vereist is.

6. Overeenkomstig Richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie (7) neemt de Commissie de nodige maatregelen om te waarborgen dat de informatie die overeenkomstig de toepassing van deze verordening is verkregen, vertrouwelijk wordt behandeld.

Artikel 16

Sancties

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om er ten minste voor te zorgen dat sancties worden opgelegd indien op de bepalingen van deze verordening de volgende inbreuken worden gemaakt:

a) binnenbrengen in of uitvoeren dan wel wederuitvoeren uit de Gemeenschap van specimens zonder de passende vergunning of het passende certificaat, of met een niet naar waarheid ingevulde, vervalste of ongeldige vergunning of certificaat dan wel een vergunning of certificaat waarin wijzigingen zijn aangebracht zonder toestemming van de autoriteit die deze heeft afgegeven;

b) niet voldoen aan de bepalingen die op een overeenkomstig deze verordening afgegeven vergunning of certificaat zijn vermeld;

c) afleggen van een valse verklaring of het bewust verstrekken van verkeerde informatie om zodoende een vergunning of een certificaat te kunnen verkrijgen;

d) gebruik van een niet naar waarheid ingevulde, vervalste of ongeldige vergunning of certificaat dan wel van een vergunning of certificaat waarin zonder toestemming wijzigingen zijn aangebracht, met de bedoeling om een communautaire vergunning of een communautair certificaat te verkrijgen dan wel met het oog op een ander officieel doel dat met deze verordening in verband staat;

e) niet of niet naar waarheid kennisgeven van invoer;

f) vervoer van levende specimens die niet op zodanige wijze zijn gereedgemaakt dat risico's van verwondingen, ziekte of ruwe behandeling tot een minimum worden beperkt;

g) ander gebruik van de specimens van soorten genoemd in bijlage A dan dat waarvoor bij afgifte van de invoervergunning of daarna toestemming werd verleend;

h) handel in kunstmatig gekweekte planten in strijd met de overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), vastgestelde bepalingen;

i) vervoer van specimens naar of uit de Gemeenschap of doorvoer via de Gemeenschap zonder dat er in overeenstemming met deze verordening of, in het geval van uitvoer of wederuitvoer uit een derde land dat partij is bij de Overeenkomst, in overeenstemming met die Overeenkomst, een passende vergunning of passend certificaat is afgegeven, of een bevredigend bewijs van het bestaan daarvan geleverd is;

j) in strijd met artikel 8 aankopen, te koop vragen, verwerven voor commerciële doeleinden, gebruiken voor commerciële doeleinden, ten toon stellen voor commerciële doeleinden, verkopen, in bezit hebben met het oog op verkoop, ten verkoop aanbieden of vervoeren met het oog op verkoop van specimens;

k) gebruiken van een vergunning of certificaat voor een ander specimen dan dat waarvoor zij werd afgegeven;

l) vervalsen of wijzigen van een overeenkomstig deze verordening afgegeven vergunning of certificaat;

m) verzwijgen van het feit dat een aanvraag voor een vergunning of certificaat overeenkomstig artikel 6, lid 3, werd afgewezen.

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen staan in een passende verhouding tot de aard en de ernst van de inbreuk en bevatten onder meer voorzieningen met betrekking tot de inbeslagname en, in voorkomend geval, verbeurdverklaring van de specimens.

3. Indien een specimen verbeurd wordt verklaard, wordt het toevertrouwd aan een bevoegde autoriteit van de Lid-Staat die tot verbeurdverklaring is overgegaan, die:

a) na overleg met een wetenschappelijke autoriteit van die Lid-Staat, het specimen ergens onderbrengt of het van de hand doet op een manier die zij geschikt en verenigbaar acht met de doelstellingen en bepalingen van de onderhavige verordening; en

b) in het geval van een levend specimen dat in de Gemeenschap is binnengebracht, na overleg met het land van uitvoer, dat specimen op kosten van degene die veroordeeld is, naar dat land kan terugsturen.

4. Indien een levend specimen van een soort genoemd in bijlage B of C op een bepaalde plaats wordt binnengebracht zonder de/het passende geldige vergunning of certificaat, moet het specimen in beslag worden genomen en kan het verbeurd worden verklaard of kunnen, indien de geadresseerde het specimen weigert te accepteren, de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten waarin deze plaats van binnenkomst gelegen is, zo nodig de zending weigeren en van de vervoerder eisen dat hij het specimen naar de plaats van vertrek terugzendt.

Artikel 17

De wetenschappelijke studiegroep

1. Er wordt een wetenschappelijke studiegroep opgericht bestaande uit de vertegenwoordigers van de wetenschappelijke autoriteit(en) van de verschillende Lid-Staten, en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

2. a) De wetenschappelijke studiegroep onderzoekt alle wetenschappelijke vraagstukken met betrekking tot de uitvoering van deze verordening - met name die inzake artikel 4, leden 1, onder a), 2, onder a), en 6 - die door haar voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de leden van de groep of van het comité, aan de orde worden gesteld.

b) De Commissie deelt de adviezen van de wetenschappelijke studiegroep aan het comité mee.

Artikel 18

Het comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het EG-Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

2. Voor de taken waarvoor het comité krachtens artikel 19, leden 1 en 2, bevoegd is, worden de voorgestelde maatregelen, indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, door de Commissie vastgesteld.

3. Voor de taken waarvoor het comité krachtens artikel 19, leden 3 en 4, bevoegd is, worden de voorgestelde maatregelen, indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, door de Commissie vastgesteld, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

Artikel 19

Volgens de procedure van artikel 18:

1. stelt de Commissie uniforme bepalingen en criteria vast voor:

i) de afgifte, de geldigheid en het gebruik van de documenten bedoeld in artikel 4, artikel 5, artikel 7, lid 4, en artikel 10, alsmede voor het model daarvan;

ii) het gebruik van fytosanitaire certificaten; en

iii) het opstellen, wanneer zulks nodig is, van procedures voor het merken van specimens als hulpmiddel bij hun identificatie en ter naleving van de verordening;

2. neemt de Commissie de maatregelen aan bedoeld in artikel 4, leden 6 en 7, artikel 5, leden 5 en 7, onder b), artikel 7, leden 1, onder c), 2, onder c), en 3, artikel 8, lid 4, artikel 9, lid 6, artikel 11, lid 5, artikel 15, leden 4, onder a), en 5, artikel 21, lid 3;

3. wijzigt de Commissie de bijlagen A tot en met D, met uitzondering van de wijzigingen van bijlage A die niet uit de besluiten van de conferentie van de partijen bij de Overeenkomst voortvloeien;

4. neemt de Commissie zo nodig aanvullende maatregelen aan om de resoluties van de conferentie van de partijen bij de Overeenkomst, besluiten of aanbevelingen van het Permanent Comité van de Overeenkomst en aanbevelingen van het secretariaat van de Overeenkomst ten uitvoer te leggen.

Artikel 20

Slotbepalingen

Elke Lid-Staat stelt de Commissie en het secretariaat van de Overeenkomst in kennis van de specifieke bepalingen die hij met het oog op de uitvoering van deze verordening treft, en van alle rechtsinstrumenten die worden aangewend en de maatregelen die zijn genomen om deze ten uitvoer te leggen en toe te passen.

De Commissie stelt de overige Lid-Staten daarvan in kennis.

Artikel 21

1. Verordening (EEG) nr. 3626/82 wordt ingetrokken.

2. Zolang de in artikel 19, leden 1 en 2, bedoelde maatregelen niet zijn aangenomen kunnen de Lid-Staten de overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3626/82 en Verordening (EEG) nr. 3418/83 van de Commissie van 28 november 1983 houdende bepalingen voor eenvormige afgifte en gebruik van documenten die vereist zijn voor de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten (8), aangenomen maatregelen handhaven of blijven toepassen.

3. Twee maanden voor de toepassing van deze verordening handelt de Commissie volgens de procedure van artikel 18 en in overleg met de wetenschappelijke studiegroep als volgt:

a) zij onderzoekt of beperkingen op het binnenbrengen in de Gemeenschap van de niet in bijlage A van deze verordening opgenomen soorten van bijlage C1 van Verordening (EEG) nr. 3626/82 op grond van enig element verantwoord zijn;

b) zij stelt een verordening vast waarbij bijlage D wordt gewijzigd in een representatieve lijst van soorten die beantwoorden aan de criteria van artikel 3, lid 4, onder a).

Artikel 22

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1997.

De artikelen 12 en 13, artikel 14, lid 3, de artikelen 16, 17, 18, 19 en 21, lid 3, zijn van toepassing vanaf de dag van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 9 december 1996.

Voor de Raad

De Voorzitter

B. HOWLIN

(1) PB nr. C 26 van 3. 2. 1992, blz. 1, en PB nr. C 131 van 12. 5. 1994, blz. 1.

(2) PB nr. C 233 van 31. 8. 1992, blz. 19.

(3) Advies van het Europees Parlement van 15 december 1995 (PB nr. C 17 van 22. 1. 1996, blz. 430), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 26 februari 1996 (PB nr. C 196 van 6. 7. 1996, blz. 58) en besluit van het Europees Parlement van 18 september 1996 (PB nr. C 320 van 28. 10. 1996).

(4) PB nr. L 384 van 31. 12. 1982, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 558/95 van de Commissie (PB nr. L 57 van 15. 3. 1995, blz. 1).

(5) PB nr. L 302 van 19. 10. 1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(6) PB nr. L 358 van 18. 12. 1986, blz. 1.

(7) PB nr. L 158 van 23. 6. 1990, blz. 56.

(8) PB nr. L 344 van 7. 12. 1983, blz. 1.

BIJLAGE

Opmerking over de interpretatie van de bijlagen A, B, C en D

1. De in de bijlagen A, B, C en D opgenomen soorten worden aangeduid:

a) met de naam van de soort, of

b) met de verzamelnaam der soorten die behoren tot een hoger taxon of een aangegeven deel daarvan.

2. De afkorting "spp." dient ter aanduiding van alle soorten van een hoger taxon.

3. Andere verwijzigingen naar taxa van een hogere categorie dan de soort worden uitsluitend ter informatie of classificatie gegeven.

4. Vetgedrukte soorten in bijlage A zijn daarin opgenomen overeenkomstig hun bescherming uit hoofde van Richtlijn 79/409/EEG (1) ("vogelrichtlijn") of Richtlijn 92/43/EEG (2) ("habitatrichtlijn").

5. De afkorting "p.e." wordt gebruikt ter aanduiding van mogelijk uitgestorven soorten.

6. Een sterretje "(*)" achter de naam van een soort of een hoger taxon betekent dat een of meer geografisch onderscheiden populaties, ondersoorten of soorten van die soort of dat taxon wel in bijlage A en niet in bijlage B zijn opgenomen.

7. Twee sterretjes "(**)" achter de naam van een soort of een hoger taxon betekent dat een of meer geografisch onderscheiden populaties, ondersoorten of soorten van die soort of dat taxon wel in bijlage B en niet in bijlage A zijn opgenomen.

8. De tekens "(I)", "(II)" en "(III)" en het teken "×", gevolgd door een nummer achter de naam van een soort of hoger taxon, verwijzen naar de bijlagen van de Overeenkomst waarin de betrokken soorten op de onder de punten 9 12 aangegeven wijze zijn opgenomen. Indien geen teken vermeld is, zijn de betrokken soorten niet in de bijlagen bij de Overeenkomst opgenomen.

9. (I) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage I bij de Overeenkomst.

10. (II) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage II bij de Overeenkomst.

11. (III) achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat die soort of dat hogere taxon is opgenomen in bijlage III bij de Overeenkomst. In dat geval wordt het land met betrekking waartoe de soort of het hogere taxon in bijlage III is opgenomen tevens aangegeven met een uit twee letters bestaande code en wel op de volgende wijze: BW (Botswana), CA (Canada), CO (Colombia), CR (Costa Rica), GH (Ghana), GT (Guatemala), HN (Honduras), IN (India), MY (Maleisië), MU (Mauritius), NP (Nepal), TN (Tunesië) en UY (Uruguay).

12. Het teken "×", gevolgd door een nummer achter de naam van een soort of hoger taxon in bijlage A of B, betekent dat bepaalde geografisch onderscheiden populaties, soorten, soortengroepen of families van die soort of dat taxon in bijlage I, II of III van de Overeenkomst zijn opgenomen, en wel als volgt:

×701 De soort is opgenomen in bijlage II, doch ondersoort Cercocebus galeritus galeritus is opgenomen in bijlage I

×702 De soort is opgenomen in bijlage II, doch ondersoort kirkii is opgenomen in bijlage I

×703 Alle soorten zijn opgenomen in bijlage II met uitzondering van Lipotes vexillifer, Platanista spp., Bernardius spp., Hyperoodon spp., Physeter catodon (omvat het synoniem Physeter macrophalus), Sotalia spp., Sousa spp., Neophocaena phocaenoides, Phocoena sinus, Eschrichtius robustus (omvat het synoniem Eschrichtius glaucus), Balaenoptera spp. (met uitzondering van de Westgroenlandse populatie van Balaenoptera acutorostrata), Megaptera novaengliae, Eubalaena spp. (vroeger gerekend tot het genus Balaena) en Caperea marginata die zijn opgenomen in bijlage I. Specimens van de in bijlage II bij de Overeenkomst vermelde soorten, met inbegrip van de produkten en derivaten daarvan, andere dan vleesprodukten voor commerciële doeleinden, die door Groenlanders onder een door de betrokken bevoegde autoriteit verleende vergunning worden gevangen, worden behandeld als behorende tot bijlage B

×704 De populaties van Bhoetan, India, Nepal en Pakistan zijn opgenomen in bijlage I, de andere populaties in bijlage II

×705 De populaties in Bhoetan, China, Mexico en Mongolië en de ondersoort isabellinus zijn opgenomen in bijlage I, de andere populaties en ondersoorten in bijlage II

×706 De soort is opgenomen in bijlage I, met uitzondering van de populatie in Australië die is opgenomen in bijlage II

×707 Trichechus inunquis en Trichechus manatus zijn opgenomen in bijlage I. Trichechus senegalensis is opgenomen in bijlage II

×708 De soort is opgenomen in bijlage II doch de ondersoort Equus hemonius hemonius is opgenomen in bijlage I

×709 Haliaetus albicilla en H. leucocephalus zijn opgenomen in bijlage I, de andere soorten in bijlage II

×710 De volgende soorten zijn opgenomen in bijlage III: Crax daubentoni en Crax globulosa voor Colombia, Crax rubra voor Colombia, Costa Rica, Guatemala en Honduras

×711 Pauxi pauxi is opgenomen in bijlage III voor Colombia

×712 De soort is opgenomen in bijlage II, doch de ondersoorten Grus canadensis nesiotes en Grus canadensis pulla zijn opgenomen in bijlage I

×713 Mantella aurantiaca is opgenomen in bijlage II.

13. Het teken " ", gevolgd door een nummer achter de naam van een soort of hoger taxon, betekent dat de aangegeven geografisch onderscheiden populatie, soorten, soortengroepen of families van die soort of dat taxon uit de betrokken bijlage zijn uitgesloten en wel als volgt: 101 Populaties in Spanje ten noorden van de Duero, in Griekenland ten noorden van de 39e breedtegraad

102 Populatie in de Verenigde Staten van Amerika

103 - Chili: een deel van de populatie in de provincie Parinacota, Ia. Region Tarapacá

- Peru: de gehele populatie

104 Populaties in Afghanistan, Bhoetan, India, Myanmar, Nepal en Pakistan

105 Cathartidae

106 Melopsittacus undulatus, Nymphicus hollandicus en Psittacula krameri

107 Populatie in Ecuador, mits de exportquota in 1995 en 1996 nul bedragen en de jaarlijkse exportquota daarna worden goedgekeurd door het CITES-secretariaat en de groep van specialisten IUCN/SSC Crocodile

108 Populaties in Botswana, Ethiopië, Kenia, Malwi, Mozambique, Zuid-Afrika, de Verenigde Republiek, Tanzania, Zambia en Zimbabwe en de aan de genoemde jaarlijkse exportquota onderworpen populaties in de volgende landen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Naast de van ranching afkomstige specimens zal de Verenigde Republiek Tanzania in 1995 en 1996 de export toestaan van ten hoogste 1 100 wilde specimens (met inbegrip van 100 jachttrofeeën) en in 1997 een door het CITES-secretariaat en de groep van specialisten IUCN/SSC Crocodile goed te keuren quotum

109 Populaties in Australië, Indonesië en Papoea-Nieuw-Guinea

110 Populatie in Chili

111 Alle soorten die geen succulenten zijn

112 Aloe vera; ook genoemd Aloe barbadensis.

14. Het teken "+" gevolgd door een nummer, geplaatst achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat alleen de nader aangegeven geografisch omschreven populaties, ondersoorten of soorten of soorten van die soort of dat taxon in de betrokken bijlage zijn opgenomen en wel als volgt:

+201 Populaties in Spanje ten noorden van de Duero, in Griekenland ten noorden van de 39e breedtegraad

+202 Populatie in Kameroen en Nigeria

+203 Populatie in Azië

+204 Populatie in Midden- en Noord-Amerika

+205 Populatie in Bangladesh, India en Thailand

+206 Populatie in India

+207 - Chili: deel van de populatie in de provincie Parinacota, Ia. Region Tarapacá

- Peru: de hele populatie

+208 Populaties in Afghanistan, Bhoetan, India, Myanmar, Nepal en Pakistan

+209 Populaties in Mexico

+210 Populaties in Algerije, Bourkina Fasso, Kameroen, Centraalafrikaanse Republiek, Tsjaad, Mali, Mauretanië, Marokko, Niger, Nigeria, Senegal en Soedan

+211 Populatie op de Seychellen

+212 Populatie in Europa, met uitzondering van het grondgebied van de voormalige Unie van Socialistische Sowjet-Republieken

+213 Alle soorten in Nieuw-Zeeland

+214 Populatie in Chili.

+215 Alle populaties van de soorten in Noord- en Zuid-Amerika.

15. Het teken "=" gevolgd door een nummer, geplaatst achter de naam van een soort of hoger taxon betekent dat de benaming van die soort of dat taxon als volgt moet worden geïnterpreteerd:

=301 Ook genoemd Phalanger maculatus

=302 Ook genoemd Vampyrops lineatus

=303 Omvat de familie Tupaiidae

=304 Vroeger gerekend tot de familie Lemuridae

=305 Vroeger opgenomen als ondersoort van Callithrix jacchus

=306 Omvat het generieke synoniem Leontideus

=307 Vroeger gerekend tot de soort Saguinus oedipus

=308 Vroeger opgenomen als Alouatta palliata (villosa)

=309 Omvat het synoniem Cercopithecus roloway

=310 Vroeger gerekend tot het genus Papio

=311 Omvat het generieke synoniem Simias

=312 Omvat het synoniem Colobus badius rufomitratus

=313 Omvat het generieke synoniem Rhinopithecus

=314 Ook genoemd Presbytis entellus

=315 Ook genoemd Presbytis geei en Semnopithecus geei

=316 Ook genoemd Presbytis pileata en Semnopithecus pileatus

=317 Voorheen opgenomen als Tamandua tetradactyla (gedeeltelijk)

=318 Omvat de synoniemen Bradypus boliviensis en Bradypus griseus

=319 Omvat het synoniem Cabassous gymnurus

=320 Omvat het synoniem Priodontes giganteus

=321 Omvat het generieke synoniem Coendou

=322 Omvat het generieke synoniem Cuniculus

=323 Vroeger gerekend tot het genus Dusicyon

=324 Omvat het synoniem Dusicyon fulvipes

=325 Omvat het generieke synoniem Fennecus

=326 Ook genoemd Selenarctos thibetanus

=327 Voorheen opgenomen als Nasua nasua

=328 Ook genoemd Aonyx microdon of Paraonyx microdon

=329 Omvat het synoniem Galictis allamandi

=330 Vroeger gerekend tot het genus Lutra

=331 Vroeger gerekend tot het genus Lutra; omvat de synoniemen Lutra annectens, Lutra enudris, Lutra incarum en Lutra platensis

=332 Omvat het generieke synoniem Viverra

=333 Omvat het synoniem Eupleres major

=334 Voorheen opgenomen als Viverra megaspila

=335 Voorheen opgenomen als Herpestes fuscus

=336 Voorheen opgenomen als Herpestes auropunctatus

=337 Ook genoemd Hyaena brunnea

=338 Ook genoemd Felis caracal en Lynx caracal

=339 Vroeger gerekend tot het genus Felis

=340 Ook genoemd Felis pardina of Felis lynx pardina

=341 Vroeger gerekend tot het genus Panthera

=342 Ook genoemd Equus asinus

=343 Vroeger gerekend tot de soort Equus hemionus

=344 Ook genoemd Equus caballus przewalskii

=345 Ook genoemd Choeropsis liberiensis

=346 Ook genoemd Cervus porcinus annamiticus

=347 Ook genoemd Cervus porcinus calamianensis

=348 Ook genoemd Cervus porcinus kuhlii

=349 Ook genoemd Cervus dama mesopotamicus

=350 Omvat het synoniem Bos frontalis

=351 Omvat het synoniem Bos grunniens

=352 Omvat het generieke synoniem Novibos

=353 Vroeger opgenomen als Bubalus bubalis (gedomesticeerde vorm)

=354 Omvat het generieke synoniem Anoa

=355 Ook genoemd Damaliscus dorcas dorcas

=356 Vroeger gerekend tot de soort Naemorhedus goral

=357 Ook genoemd Capricornis sumatraensis

=358 Omvat het synoniem Oryx tao

=359 Omvat het synoniem Ovis aries ophion

=360 Ook genoemd Rupicapra rupicapra ornata

=361 Ook genoemd Boocercus eurycerus; omvat het generieke synoniem Taurotragus

=362 Ook genoemd Pterocnemia pennata

=363 Ook genoemd Sula abbotti

=364 Ook genoemd Ardeola ibis

=365 Ook genoemd Egretta alba

=366 Ook genoemd Ciconia ciconia boyciana

=367 Ook genoemd Hagedashia hagedash

=368 Ook genoemd Lampribis rara

=369 Omvat de synoniemen Anas chlorotis en Anas nesiotis

=370 Ook genoemd Spatula clypeata

=371 Ook genoemd Anas platyrhynchos laysanensis

=372 Vermoedelijk een hybride van Anas platyrhynchos en Anas superciliosa

=373 Ook genoemd Nyroca nyroca

=374 Omvat het synoniem Dendrocygna fulva

=375 Ook genoemd Cairina hartlaubii

=376 Ook genoemd Aquila heliaca adalberti

=377 Ook genoemd Chondrohierax wilsonii

=378 Ook genoemd Falco peregrinus babylonicus en Falco peregrinus pelegrinoides

=379 Ook genoemd Crax mitu mitu

=380 Vroeger gerekend tot het genus Crax

=381 Vroeger gerekend tot het genus Aburria

=382 Vroeger opgenomen als Arborophila brunneopectus (gedeeltelijk)

=383 Vroeger gerekend tot de soort Crossoptilon crossoptilon

=384 Vroeger gerekend tot de soort Polyplectron malacense

=385 Omvat het synoniem Rheinardia nigrescens

=386 Ook genoemd Tricholimnas sylvestris

=387 Ook genoemd Choriotis nigriceps

=388 Ook genoemd Houbaropsis bengalensis

=389 Ook genoemd Turturoena iriditorques; vroeger opgenomen als Columba malherbii (gedeeltelijk)

=390 Ook genoemd Nesoenas mayeri

=391 Vroeger opgenomen als Treron australis (gedeeltelijk)

=392 Ook genoemd Calopelia brehmeri; omvat het synoniem Calopelia puella

=393 Ook genoemd Tympanistria tympanistria

=394 Ook genoemd Amazona dufresniana rhodocorytha

=395 Dikwijls verkocht onder de onjuiste naam Ara caninde

=396 Ook genoemd Cyanoramphus novaezelandiae cookii

=397 Ook genoemd Opopsitta diophtalma coxeni

=398 Ook genoemd Pezoporus occidentalis

=399 Vroeger gerekend tot de soort Psephotus chrysopterygius

=400 Ook genoemd Psittacula krameri echo

=401 Vroeger gerekend tot het genus Gallirex; ook genoemd Tauraco porphyreolophus

=402 Ook genoemd Otus gurneyi

=403 Ook genoemd Ninox novaeseelandiae royana

=404 Ook genoemd Strix ulula

=405 Vroeger gerekend tot het genus Glaucis

=406 Omvat het generieke synoniem Ptilolaemus

=407 Vroeger gerekend tot het genus Rhinoplax

=408 Ook genoemd Pitta brachyura nympha

=409 Ook genoemd Muscicapa ruecki of Niltava ruecki

=410 Ook genoemd Dasyornis brachypterus longirostris

=411 Ook genoemd Tchitrea bourbonnensis

=412 Ook genoemd Meliphaga cassidix

=413 Vroeger gerekend tot het genus Spinus

=414 Vroeger opgenomen als Serinus gularis (gedeeltelijk)

=415 Ook genoemd Estrilda subflava of Sporaeginthus subflavus

=416 Vroeger opgenomen als Lagonosticta larvata (gedeeltelijk)

=417 Omvat het generieke synoniem Spermestes

=418 Ook genoemd Euodice cantans; vroeger opgenomen als Lonchura malabarica (gedeeltelijk)

=419 Ook genoemd Hypargos nitidulus

=420 Vroeger opgenomen als Parmoptila woodhousei (gedeeltelijk)

=421 Omvat de synoniemen Pyrenestes frommi en Pyrenestes rothschildi

=422 Ook genoemd Estrilda bengala

=423 Ook genoemd Malimbus rubriceps op Anaplectes melanotis

=424 Ook genoemd Coliuspasser ardens

=425 Vroeger opgenomen als Euplectes orix (gedeeltelijk)

=426 Ook genoemd Coliuspasser macrourus

=427 Ook genoemd Ploceus superciliosus

=428 Omvat het synoniem Ploceus nigriceps

=429 Ook genoemd Sitagra luteola

=430 Ook genoemd Sitagra melanocephala

=431 Vroeger opgenomen als Ploceus velatus

=432 Ook genoemd Hypochera chalybeata; omvat de synoniemen Vidua amauropteryx, Vidua centralis, Vidua neumanni, Vidua okavangoensis en Vidua ultramarina

=433 Vroeger opgenomen als Vidua paradisea (gedeeltelijk)

=434 Omvat het synoniem Cuora criskarannarum

=435 Voorheen opgenomen als Kachuga tecta tecta

=436 Omvat de generieke synoniemen Nicoria en Geoemyda (gedeeltelijk)

=437 Ook genoemd Chrysemys scripta elegans

=438 Ook genoemd Geochelone elephantopus; ook gerekend tot het genus Testudo

=439 Ook gerekend tot het genus Testudo

=440 Ook gerekend tot het genus Aspideretes

=441 Vroeger gerekend tot Podocnemis spp.

=442 Ook genoemd Pelusios subniger

=443 Omvat Alligatoridae, Crocodylidae en Gavialidae

=444 Ook genoemd Crocodylus mindorensis

=445 Vroeger gerekend tot Chamaeleo spp.

=446 Ook genoemd Constrictor constrictor occidentalis

=447 Omvat het synoniem Python molurus pimbura

=448 Omvat het synoniem Pseudoboa cloelia

=449 Ook genoemd Hydrodynastes gigas

=450 Ook genoemd Alsophis chamissonis

=451 Vroeger gerekend tot het genus Natrix

=452 Omvat het generieke synoniem Megalobatrachus

=453 Sensu D'Abrera

=454 Ook genoemd Conchodromus dromas

=455 Ook gerekend tot de genera Dysnomia en Plagiola

=456 Omvat het generieke synoniem Proptera

=457 Ook gerekend tot het genus Carunculina

=458 Ook genoemd Megalonaias nickliniana

=459 Ook genoemd Cyrtonaias tampicoensis tecomatensis en Lampsilis tampicoensis tecomatensis

=460 Omvat het generieke synoniem Micromya

=461 Omvat het generieke synoniem Papuina

=462 Omvat alleen de familie Helioporidae met één soort: Heliopora coerulea

=463 Ook genoemd Podophyllum emodi en Sinopodophyllum hexandrum

=464 Ook gerekend tot het genus Echinocactus

=465 Ook genoemd Lobeira macdougallii of Nopalxochia macdougallii

=466 Ook genoemd Echinocereus lindsayi

=467 Ook genoemd Wilcoxia schmollii

=468 Ook gerekend tot het genus Coryphantha

=469 Ook genoemd Solisia pectinata

=470 Ook genoemd Backebergia militaris

=471 Ook gerekend tot het genus Toumeya

=472 Omvat het synoniem Ancistrocactus tobuschii

=473 Ook gerekend tot het genus Neolloydia of het genus Echinomastus

=474 Ook gerekend tot het genus Toumeya of het genus Pediocactus

=475 Ook gerekend tot het genus Neolloydia

=476 Ook genoemd Saussurea lappa

=477 Omvat Euphorbia cylindrifolia ssp. tuberifera

=478 Ook genoemd Euphorbia capsaintemariensis var. tulearensis

=479 Ook genoemd Engelhardia pterocarpa

=480 Omvat Aloe compressa var. rugosquamosa en Aloe compressa var. schistophila

=481 Omvat Aloe haworthioides var. aurantiaca

=482 Omvat Aloe laeta var. maniaensis

=483 Omvat de families Apostasiaceae en Cypripediaceae als subfamilies Apostasioideae en Cypripedioideae

=484 Ook genoemd Sarracenia rubra alabamensis

=485 Ook genoemd Sarracenia rubra jonesii

=486 Omvat het synoniem Stangeria paradoxa

=487 Ook genoemd Taxus baccata spp. wallichiana

=488 Omvat het synoniem Welwitschia bainesii

=489 Omvat het synoniem Vulpes vulpes leucopus.

16. Het teken "°", gevolgd door een nummer achter de naam van een soort of hoger taxon, heeft de volgende betekenis:

°501 Op specimens van gedomesticeerde vormen zijn de bepalingen van de verordening niet van toepassing

°502 De volgende jaarlijkse exportquota voor levende specimens en jachttrofeeën zijn vastgesteld:

Botswana: 5

Namibië: 150

Zimbabwe: 50

Voor de handel in deze specimens gelden de bepalingen van artikel 4, lid 1, van de verordening

°503 Alleen met het doel internationale handel toe te staan in levende dieren, voor zover daaraan een passende en aanvaardbare bestemming is gegeven, en jachttrofeeën

°504 Alleen met het doel internationale handel toe te staan in wol geschoren van levende vicuñas van de in bijlage B opgenomen populaties (zie +207) en wol uit de in Peru bestaande voorraad van 3 249 kg, alsmede de weefsels en artikelen die hiervan gemaakt zijn. De achterkant van het weefsel moet zijn voorzien van het logo dat is aangenomen door de Staten waar de soort voorkomt en die partij zijn bij de Convenio para la Conservación y Manejo de la Vicunã, en de zelfkant van het opschrift VICUNANDES - CHILE of VICUNANDES - PERU, afhankelijk van het land van oorsprong

°505 Fossielen vallen niet onder de bepalingen van de verordening.

°506 Vóór de tiende vergadering van de conferentie der partijen wordt geen uitvoer van volwassen planten van Pachypodium brevicante afkomstig van Madasgascar toegestaan

°507 In vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd, vallen niet onder de bepalingen van de verordening.

17. Conform artikel 2, onder t), van de verordening dient het teken "

", gevolgd door een cijfer, achter de naam van een in bijlage B opgenomen soort of hoger taxon om delen of produkten te omschrijven die in dit verband ter fine van de verordening zijn vermeld, als volgt:

1 Ter omschrijving van alle delen en produkten, met uitzondering van:

a) zaden, sporen en pollen (met inbegrip van pollinia); en

b) in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd.

2 Ter omschrijving van alle delen en produkten, met uitzondering van:

a) zaden en pollen;

b) in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd; en

c) chemische produkten.

3 Ter omschrijving van wortels en gemakkelijk herkenbare delen daarvan.

4 Ter omschrijving van alle delen en produkten, met uitzondering van:

a) zaden en pollen;

b) in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd;

c) vruchten en delen en produkten daarvan van verwilderde of kunstmatig gekweekte planten; en

d) losse stengelleden en delen en produkten daarvan van verwilderde of kunstmatig gekweekte exemplaren van Opuntia subgenus Opuntia spp.

5 Ter omschrijving van voor verzaging geschikte stammen of blokken, planken en fineer.

6 Ter omschrijving van stamstukken, houtspanen en onverwerkt kleingemaakt materiaal.

7 Ter omschrijving van alle delen en produkten, met uitzondering van:

a) zaden en pollen (met inbegrip van pollinia);

b) in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd;

c) snijbloemen van kunstmatig gekweekte planten; en

d) vruchten en delen en produkten daarvan van kunstmatig gekweekte planten van het genus Vanilla.

8 Ter omschrijving van alle delen en produkten, met uitzondering van:

a) zaden en pollen;

b) in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem die in steriele recipiënten worden getransporteerd; en

c) farmaceutische eindprodukten.

18. Aangezien voor geen van de in bijlage A opgenomen soorten of hogere taxa van Flora door middel van een annotatie is aangegeven dat voor hybriden daarvan de bepalingen van artikel 4, lid 1, van de verordening gelden, betekent dit dat kunstmatig gekweekte hybriden voortgebracht uit een of meer van deze soorten of taxa, verhandeld mogen worden met een certificaat van kunstmatige kweek, en dat zaden en pollen (met inbegrip van pollinia), snijbloemen en in steriele recipiënten vervoerde in vitro zaailing- en weefselculturen op een vaste of vloeibare voedingsbodem van deze hybriden niet onder de bepalingen van de verordening vallen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(1) PB nr. L 103 van 25. 4. 1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/24/EG (PB nr. L 164 van 30. 6. 1994, blz. 9).

(2) PB nr. L 206 van 22. 7. 1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.